Behandeling Staat van de rechtsstaat



Verslag van de vergadering van 27 oktober 2026 (2026/2027 nr. 06)

Aanvang: 10.17 uur

Status: ongecorrigeerd

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Aan de orde is het debat over de staat van de rechtsstaat.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Aan de orde is het debat over de staat van de rechtsstaat. Ik open de beraadslaging en ik geef het woord aan mevrouw Veldhoen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Veldhoen i (PRO):

Dank u wel. Welkom ook aan de beide bewindspersonen.

Voorzitter. Deze Zomer las ik Wisselwachter van Geert Mak, een indrukwekkend boek over Harry Hopkins, de rechterhand van president Roosevelt in de periode 1933-1945. Het gaat over leiderschap in jaren voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog, natuurlijk primair dat van Roosevelt en ook van Churchill, staatslieden die al tijdens de oorlog een visie ontwikkelden op een wereld na de verschrikkingen ervan. Een voorbeeld van leiderschap dat mij daarnaast in het bijzonder raakte, was dat van een vrouw, namelijk dat van Eleanor Roosevelt. Niet alleen omdat zij voorzitter was van de VN-commissie voor de rechten van de mens die in 1948 leidde tot de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, maar ook om een veel basaler voorbeeld: the victory gardens. Tijdens de oorlog liet Eleanor Roosevelt een moestuin aanleggen op het terrein van het Witte Huis om de voorziening van verse groenten op peil te houden en riep zij de bevolking op hetzelfde te doen. Dat leidde tot zo'n 20 miljoen moestuinen, die op het hoogtepunt naar schatting 40% van de verse groenten in de Verenigde Staten leverden. Dit voorbeeld laat in mijn ogen op een heel tastbare manier zien, namelijk in aardappelen en bonen, wat leiderschap en voorbeeldgedrag van leiderschap kunnen bewerkstelligen.

In juni '24 presenteerde de Staatscommissie rechtsstaat haar rapport De gebroken belofte van de rechtsstaat. De belangrijkste boodschap daarin was dat de belofte van de rechtsstaat voor een aanzienlijke groep burgers niet wordt ingelost. Te vaak is de rechtsstaat niet leidend in het handelen van politici, bestuurders en medewerkers van de overheid. De overheid is te ingewikkeld geworden en de rechtsbescherming schiet tekort. Het gaat daarbij niet alleen om bescherming tegen de overheid, maar ook over ondersteuning door die overheid als dat nodig is: de sociale grondrechten. Het is aan parlement en regering om tempo te maken met het herstel van de rechtsstaat, aldus de commissie.

De eerste aanbeveling van de staatscommissie roept op tot het tonen van rechtstatelijk leiderschap, het actief uitdragen van de principes van de rechtsstaat door regering en parlement en het elkaar daarop aanspreken. Dat is een oproep aan ons allemaal. Daarom ben ik blij dat wij vandaag dit debat met elkaar voeren. Maar wat is rechtsstatelijk leiderschap? Wanneer zien we dat en wanneer zien we dat niet? Ons land staat voor grote opgaven. Ik wil vandaag betogen dat het van belang is dat de regering bij het zoeken naar oplossingen steeds kiest voor de rechtsstatelijke weg en dat daarvoor leiderschap nodig is. Mijn fractie ziet namelijk dat op veel deelterreinen wordt gekozen voor een kortetermijnoplossing. Elk van die oplossingen kan op zichzelf op dat specifieke terrein te rechtvaardigen zijn, maar opgeteld leiden onvoldoende doordachte kortermijnoplossingen tot een geleidelijke erosie van het fundament van de samenleving, namelijk de rechtsstaat. Langs deze lijn zal ik mijn betoog opbouwen. Ik bespreek achtereenvolgens wetgeving, de uitvoering en de rechtspraak en sluit af met twee onderwerpen waarbij in onze ogen de grondrechten in het bijzonder in het geding zijn: het demonstratierecht en de bescherming van burgers in het digitale domein.

Ik begin bij de basis, de wetgeving en dan in het bijzonder de kwaliteit van wetgeving. De afgelopen jaren zagen wij een toenemend aantal wetsvoorstellen waarvan de kwaliteit te wensen overliet. We zagen wetgeving die op onderdelen in strijd was met de Grondwet, zoals rondom statushouders en sociale huurwoningen, wetten die met een novelle moesten worden hersteld nog voor ze hier waren aangemeld en wetten waarvan we de behandeling moesten aanhouden totdat ze waren gerepareerd. Hoe komt dit? Allereerst worden adviezen van de Raad van State vaker terzijde gelegd. Dat blijft mijn fractie verbazen. Het lijkt alsof gemakkelijker voorrang wordt gegeven aan een politiek doel boven juridische houdbaarheid.

Een tweede oorzaak ligt naar mijn oordeel bij de politieke waan van de dag, die zich vertaalt in onvoldoende doordachte amendementen in de Tweede Kamer. Er worden amendementen aangenomen die in strijd zijn met hoger recht, zonder advies van de Raad van State en ook zonder dat uitvoeringsorganisaties zijn geraadpleegd. Natuurlijk speelt dit zich af in de Tweede Kamer, maar wat is daarbij de rol van de regering? Toont zij hier voldoende rechtsstatelijk leiderschap? Of, anders gezegd, geeft zij voldoende tegengas? Wat kan de minister doen als een wet door de Tweede Kamer zodanig wordt geamendeerd dat hij in strijd komt met hoger recht? Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Schalk over een sneltoets op impactvolle amendementen, is hierop een vervolgvraag.

Een goed voorbeeld van getoond leiderschap vond ik de wijziging van de Penitentiaire beginselenwet. De Tweede Kamer nam in maart 2024 amendementen aan die het mogelijk maakten gesprekken tussen gedetineerden en hun advocaat op te nemen, terwijl toenmalig minister Weerwind waarschuwde voor mogelijke strijdigheid met de Grondwet en het EVRM. De minister vroeg de Raad van State om advies en die gaf hem gelijk. Vervolgens kwam de minister met een novelle om de wet te repareren, zodat de wet samen met de reparatiewet bij ons werd ingediend. Hier lag een reële maatschappelijke opgave, namelijk de aanpak van georganiseerde criminaliteit vanuit detentie, en hier werd bewust gekozen voor een rechtsstatelijke weg.

De heer Dittrich i (D66):

Even terug naar het vorige punt. Ik herken helemaal wat mevrouw Veldhoen zojuist zei over amendementen die het wetsvoorstel misschien wel helemaal een andere richting opsturen; geen advies van de Raad van State. Mevrouw Veldhoen vraagt nu aan de regering hoe zij daartegenover staat, maar wat is eigenlijk de rol van de Tweede Kamer als zo'n amendement, dat misschien wel destructief is, wordt ingediend? Hoe ziet de fractie van PRO de rol van de Tweede Kamer dan?

Mevrouw Veldhoen (PRO):

Daar ligt natuurlijk primair de verantwoordelijkheid om goed na te denken over de amendementen die worden ingediend en daar mogelijk ook advies over te vragen aan deskundigen en uitvoeringsorganisaties. Maar feit is dat we zien dat dat niet gebeurt. Dat is de ene kant. De andere kant is dat er eigenlijk te weinig tijd zit tussen het moment van het indienen van de amendementen en het stemmen daarover. Daar wordt nu wel naar gekeken; inmiddels is dat besef er wel gekomen. Er wordt echter te weinig aandacht besteed aan wat zo'n amendement nou betekent voor een wet. Daarbij ligt de verantwoordelijkheid primair bij de Tweede Kamer, maar mijn betoog is dat als de Tweede Kamer die verantwoordelijkheid niet voldoende neemt, de regering in ieder geval zou moeten zeggen: stop, ho, dit is een destructief amendement. Of: dit amendement maakt dat de wet op onderdelen in strijd is met hoger recht, laten we daar advies over vragen. Dat moet gebeuren voordat het proces in versnelling raakt en een en ander bij ons terechtkomt en wij met een wet zitten waar haken en ogen aan zitten.

De heer Dittrich (D66):

Maar precies daar gaat mijn interruptie over. De Tweede Kamer zal dan misschien zeggen "we hebben eigenlijk niks te maken met wat de regering ervan vindt, wij willen vanavond stemmen", bijvoorbeeld. En dan gebeurt dat ook. Ik zoek naar een manier — daarom is het goed dat wij deze uitwisseling van gedachten hebben, want wellicht leest men de weergave ervan ook in de Tweede Kamer — waarop de Tweede Kamer of in ieder geval een meerderheid daarvan toch kan zeggen: wacht eens even, misschien moeten we niet meteen stemmen, maar eerst nog een spoedadvies aan de Raad van State vragen. Hoe kunnen we dat op de een of andere manier organiseren?

Mevrouw Veldhoen (PRO):

Ik kan het niet méér met collega Dittrich eens zijn. Het zou natuurlijk fantastisch zijn als de Tweede Kamer zichzelf zou disciplineren en zou zorgen voor een advies voordat zo'n amendement in stemming wordt gebracht. Feit is echter dat dat niet gebeurt. Feit is ook dat die wetten dan hier bij ons terechtkomen. Dan is het aan ons, denk ik, om daar heel streng naar te kijken en om, als er inderdaad strijdigheid met hoger recht aan de orde is en adviseurs dat ook beamen, boter bij de vis te leveren en tegen die wet te stemmen. Op die manier krijg je hopelijk een ontwikkeling op gang bij de Tweede Kamer dat ze zelf ook beter gaan kijken of een amendement niet strijdig met hoger recht is.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik ben er nooit zo voor om al in het begin interrupties te plaatsen, maar dit is wel een heel interessant punt. Ik ben ook heel belangstellend naar de rest van het betoog van mevrouw Veldhoen. Even in aanvulling op, of misschien zelfs wel in conflict met wat de heer Dittrich zei, het volgende. De wetgever is regering én parlement, niet alleen parlement. Ik heb het idee dat er soms inderdaad amendementen in de Tweede Kamer worden voorgesteld waarbij het eigenlijk op de weg had moeten liggen van de minister of de regering om te zeggen: onze eerste indruk is dat dit in strijd is met de Grondwet of dat het niet deugt en als de Kamer dit amendement gaat steunen, dan trekken wij het wetsontwerp in. Dan ligt de verantwoordelijkheid ook bij de regering.

De voorzitter:

Mevrouw Veldhoen. Ik hoorde niet echt een vraag, maar misschien kunt u reageren?

Mevrouw Veldhoen (PRO):

Ik vat het op als een vraag, of in ieder geval als een statement waar ik het zeer mee eens ben. De regering zou veel strenger moeten zijn in het beoordelen van de amendementen en ook meer tegengas moeten geven. Dat is ook mijn oproep in mijn bijdrage. Dat voorbeeld van minister Weerwind vind ik daarom zo'n mooi voorbeeld, omdat de minister daar heeft gezegd: ik ga met deze wet niet naar de Eerste Kamer; ik zorg dat die eerst gerepareerd is en dan dien ik 'm pas in. Hij is echt op de rem gaan staan. Eigenlijk roep ik de regering op om dat vaker te doen, om daarmee te voorkomen dat wij hier wetsvoorstellen krijgen die in toenemende mate, zoals gezegd, bepalingen kennen die strijdig zijn met hoger recht.

De heer Van Rooijen i (50PLUS):

Interessante vragen van de collega's Dittrich en Nicolaï. Ik heb er ook nog één, die uit twee vragen bestaat. Eén: vindt u ook niet dat de Tweede Kamer wat terughoudender moet zijn met de amendementenregens? We hebben dat twee jaar geleden gezien bij het Belastingplan met de verkiezingsamendementen van PRO, PvdA-GroenLinks. Ik vrees dat er de komende weken wellicht tien, twintig amendementen op het Belastingplan en box 3 komen. Dat is mijn eerste vraag.

De tweede vraag. Ik ben het met vorige sprekers, met name met de heer Nicolaï, eens dat we vanuit de Kamer hier — we moeten ons niet te veel met de Tweede Kamer bemoeien — tegen de regering kunnen zeggen: wees heel alert op alle amendementen, vooral als ze mogelijk strijdig zijn met de Grondwet of zo diep gaan dat de minister zou moeten zeggen dat die onaanvaardbaar zijn. Dat laatste gaat natuurlijk heel ver, maar de minister zou ook kunnen zeggen: wij schorten de behandeling van het wetsontwerp op totdat goed afgewogen is wat de strekking van het amendement is. Wat vindt u daarvan, met name van het tweede? Wij gaan niet over de terughoudendheid. Dat is wel een oproep. Maar het gaat me met name om de tweede vraag.

Mevrouw Veldhoen (PRO):

De oproep steun ik van harte. Ik denk inderdaad dat terughoudendheid in de eerste plaats goed zou zijn, dus wat meer discipline in wat je amendeert en bij welke wet. Ook daar zien we namelijk gekke dingen gebeuren. Wat betreft dat tweede punt: de regering zou, denk ik, nogmaals, meer tegengas moeten geven en inhoudelijke argumenten op tafel moeten leggen om te voorkomen dat er bepalingen in geamendeerd worden die in strijd zijn met hoger recht, die gewoon niet in die wet thuishoren of waar uitvoeringsorganisaties niet over hebben geadviseerd. Dat zien we namelijk ook met grote regelmaat. Dus ik ben het zeer eens met de oproep om ook aan het kabinet te vragen: wees nog strenger in het beoordelen van de amendementen en geef meer tegengas.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Er zijn heel veel moties in de Tweede Kamer elke dinsdag, die ik nu ook krijg via 50PLUS in de Tweede Kamer en anderszins. Rondom moties is er de neiging bij kabinetten, ook dit kabinet, om te zeggen: als een motie is aangenomen, dan moeten we 'm uitvoeren. Dat was in mijn tijd nooit het geval, maar dat terzijde. Als moties er eenmaal zijn, zijn het vaak ook aanlopen tot amendementen. Ik doe dus ook de oproep aan alle fracties hier om de overkant nog eens in te seinen: wees voorzichtig met moties, want als die zijn aangenomen en je vindt dat die uitgevoerd moeten worden, dan moeten die vaak tot amendementen of wetswijzigingen leiden. Dus het is echt zorgelijk daar aan de overkant.

De voorzitter:

Dank u wel. U heeft straks ook nog een eigen termijn. Mevrouw Veldhoen, u vervolgt uw betoog.

Mevrouw Veldhoen (PRO):

Dank u wel. Ik had het over de Penitentiaire beginselenwet waarmee minister Weerwind het goede voorbeeld gaf. Hij had namelijk die wet tegengehouden en een reparatiewet ingediend. Die wet werd dus gerepareerd bij ons aangemeld. Mijn vraag naar aanleiding van dit blokje is: hoe kijkt de minister naar de kwaliteit van wetgeving en hoe ziet hij zijn eigen rol bij het beoordelen van amendementen? Ik hoop dat hij wat wij zojuist gewisseld hebben, kan meenemen bij de beantwoording van deze vraag.

Daar komt bij dat als het gaat om wetgeving, het proces wat mijn fractie betreft onvoldoende transparant is. Het ministerie van BZK toetst wetsvoorstellen op grondwettelijke bezwaren. Het ministerie van JenV voert de rijksbrede wetgevingstoets uit en heeft extra aandacht voor de toets op prioriteit, menselijke maat, doenvermogen en uitvoerbaarheid. Maar de Kamers krijgen negatieve toetsen niet te zien en ze leiden vaak niet tot aanpassingen. Dat bleek ook uit het artikel van Follow the Money, Zeven ondeugdelijke wetten die tóch zijn ingediend. Waarom zijn deze toetsen niet openbaar? Daarop wil ik graag een toelichting van de minister.

Leiderschap bij wetgeving gaat niet alleen over het maken van wetten, maar ook over het naleven daarvan. Een rechtsstaat veronderstelt niet alleen dat de overheid zelf de wet naleeft, maar ook dat zij actief uitdraagt dat dat moet gebeuren en dat ze dat doet tegenover burgers, medeoverheden en haar eigen bestuurders. De laatste tijd hebben we een aantal keer gezien dat politieke leiders twijfel zaaiden over de vragen of en hoe een wet moet worden uitgevoerd. Ik denk bijvoorbeeld aan de Spreidingswet. Burgemeesters voelen zich collectief door Den Haag in de steek gelaten. VNG-vicevoorzitter Boumans stelde: het is belangrijk dat álle Haagse politici zeggen dat de wet geldt en dat we die moeten uitvoeren. Landelijke politici die openlijk suggereren dat een wet niet gehandhaafd hoeft te worden, ondermijnen de lokale democratie en de geloofwaardigheid van de wetgever. Het draagt bij aan de erosie van het rechtsstatelijke fundament. Hoe kijken de beide bewindspersonen naar de voorbeeldfunctie van bestuurders? Spreken zij hun collega's er ook op aan als ze vinden dat die voorbeeldfunctie niet op goede wijze wordt ingevuld?

Dan de uitvoering. Voor de meeste burgers is dat de rechtsstaat: de brief van de IND of de Belastingdienst, het besluit van het UWV, het contact met de gemeente. Daar wordt de belofte van de rechtsstaat ingelost of juist niet. Rechtsstatelijk leiderschap betekent hier iets heel concreets: een overheid die op tijd beslist en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur respecteert. De Staatscommissie rechtsstaat doet op dit vlak concrete aanbevelingen: jaarlijkse trainingen voor medewerkers over hun rol in de rechtsstaat en een stevigere plek voor rechtsstatelijk besef bij werving, selectie en training van topambtenaren. Cultuurverandering vraagt om concrete acties. Het kan niet bij mooie woorden blijven. Ik vraag de minister daarom hoe het staat met de uitvoering van deze aanbevelingen.

Want juist in die uitvoering zien wij op verschillende niveaus problemen. De afgelopen tijd waren de achterstanden bij bijvoorbeeld de IND en het UWV veelvuldig in het nieuws. Hetzelfde geldt voor OM en de rechtspraak. Dat is het gevolg van jarenlang onvoldoende investeren in uitvoeringscapaciteit. Dat is op zichzelf al problematisch, ook voor het vertrouwen van burgers in de overheid. Maar wat in de optiek van mijn fractie nog ernstiger is, is dat de regering, in plaats van fors te investeren in de uitvoering, kiest voor maatregelen die de last voor de overheid verlichten, ten koste van de rechtspositie van burgers. Dat is het patroon dat ik in mijn inleiding schetste: een oplossing die het directe probleem verlicht, maar die op de lange termijn de rechtsbescherming uitholt.

Een concreet voorbeeld is het afschaffen van de dwangsommen, twee weken geleden in deze Kamer. Natuurlijk is het pijnlijk dat de IND bijna 100 miljoen aan dwangsommen betaalde voor te late asielbesluiten, en ook dat de dwangsommen bij het UWV een aanzienlijke kostenpost zijn. Maar het is niet nieuw. De Raad voor de rechtspraak wijst al sinds 2022 op de problemen die ontstaan doordat uitvoeringsorganisaties er niet in slagen binnen de geldende termijnen te beslissen en ziet die problemen steeds groter worden. Ik kom daar zo dadelijk ook nog op terug. De oplossing ligt in het beter luisteren naar die organisaties bij het wettelijk vastleggen van de termijnen en in het investeren in de uitvoeringsorganisaties, zodat burgers beter en sneller geholpen worden. De oplossing ligt niet in het wegnemen van het middel van de rechter om de overheid tot spoed te manen, zo menen ook de Raad voor de rechtspraak en de Raad van State. Het verwijderen van de prikkel lost niets op aan de achterstanden. Het verschuift de last alleen naar de burger.

Een ander terrein waarop deze reflex zichtbaar is, is de afdoening met strafbeschikkingen. Achterstanden in de strafrechtketen worden niet primair opgelost door te investeren in politie, OM en rechtspraak, maar door meer zaken af te doen met politiestrafbeschikkingen, zo lezen we in het coalitieakkoord. Er liggen inmiddels twee rapporten over afdoening buiten de rechter om, van de procureur-generaal van de Hoge Raad en van het WODC, van april '26. Er zijn positieve bevindingen, maar ik lees ook de conclusie dat efficiency en capaciteit niet doorslaggevend mogen zijn bij de keuze voor hoe een zaak wordt afgedaan. Dat is in de kern ook de stelling van mijn fractie. Kan de minister zeggen dat hij de conclusies van deze onderzoeken meeneemt in het aangekondigde deltaplan voor de strafrechtketen?

In het coalitieakkoord staat dat het kabinet de drempels voor bezwaar en beroep wil verhogen. Dat is in mijn ogen dezelfde reflex. In plaats van te investeren in capaciteit bij gemeenten en rechtspraak, krijgt de burger minder mogelijkheden om op te komen voor zijn belangen. Mijn fractie meent dat de mate van rechtsbescherming voor de burger niet mag afhangen van waar het op dat moment in de uitvoering het meest knelt. Als er al sprake moet zijn van het verminderen van rechtsbescherming, dan moet eerst het fundamentele gesprek worden gevoerd, gebaseerd op gedegen onderzoek naar de vraag welke vorm van rechtsbescherming waar passend en afdoende is. Dat is de rechtsstatelijke weg, in plaats van het per beleidsterrein te laten afhangen van de urgentie van het moment.

Dan kom ik bij de rechtsprekende macht. In een rechtsstaat is de rechter het sluitstuk; daar haalt de burger uiteindelijk zijn recht. Mijn fractie heeft op dat terrein een aantal zorgen die ik graag met de minister deel. Allereerst kom ik terug op de capaciteitsproblemen. De rechtspraak kampt al jaren met een tekort aan rechters en dat is volgens het kabinet niet op korte termijn op te lossen. Ondertussen zorgt de overheid zelf voor extra druk. Omdat uitvoeringsorganisaties te laat beslissen, stijgt het aantal beroepszaken hierover elk jaar. Die zaken verdringen andere zaken bij de rechter. Ook de overheid heeft als procespartij een verantwoordelijkheid. De Staatscommissie rechtsstaat stelde dat de overheid soms verdergaat in procedures dan nodig is. De burger wordt een tegenstander die verslagen moet worden. Er is een afwegingskader hoger beroep tegen burgers in het bestuursrecht opgesteld. Mijn vraag is: hoe zijn de eerste bevindingen op dit punt? Moet dit afwegingskader niet bindend worden?

Daarbij komt dat bij het opstellen van wetgeving te weinig oog is voor de gevolgen daarvan voor de rechterlijke macht. Een voorbeeld is het wetsvoorstel Versterking waarborgfunctie algemene wet bestuursrecht. Het is een goede ontwikkeling dat er meer en begrijpelijkere uitleg en een zwaardere motiveringsplicht komen, maar dat kost wel extra tijd en dus geld. Wordt daarmee voldoende rekening gehouden en, zo ja, op welke manier? Ja, er wordt rekening mee gehouden, maar het financiële plaatje is nog niet rond en het is op dit moment nog onvoldoende. Is de minister bereid ook alternatieve geschillenbeslechting nadrukkelijk te betrekken bij het verminderen van de druk op de rechtspraak, uiteraard zonder de deur naar de rechter volledig dicht te doen? Alternatieve geschillenbeslechting zou een oplossing bieden die de rechtspraak ontlast, zonder dat de rechtsbescherming van de burger vermindert.

Mijn fractie verwelkomt een aantal afspraken uit het coalitieakkoord.

De heer Dittrich (D66):

Mediation valt eigenlijk ook onder alternatieve geschillenbeslechting. Mijn vraag aan mevrouw Veldhoen is: ziet zij dat het problematisch is dat mediatior geen gecertificeerd beroep is, waardoor de burger, als die een mediator inschakelt, nooit precies weet of iemand betrouwbaar is of voldoende ervaring heeft? Is mevrouw Veldhoen het met D66 eens dat het goed zou zijn als dat wel het geval was, net zoals bij advocaten en notarissen? Dan zou het beroep van mediator dus echt een vastomlijnd beroep worden.

Mevrouw Veldhoen (PRO):

Er zijn volgens mij wel certificaten voor mediators en opleidingen die zij moeten volgen. Ze moeten ook aan bepaalde voorwaarden voldoen. Ik kan me voorstellen dat dat meer helderheid krijgt en dat het voor burgers duidelijker wordt welke certificaten waartoe leiden. Dan kan een burger beter inschatten in hoeverre een mediator daadwerkelijk fit for the job is. Maar ik heb op dit moment nog niet een heel duidelijk oordeel over de manier waarop dat vorm zou moeten krijgen. Ik kan me wel voorstellen dat het voor de burger van belang is dat daar duidelijkheid over komt.

De heer Dittrich (D66):

Ik zou me zo kunnen voorstellen dat er een wetsvoorstel komt dat dat regelt, zodat voor de burger duidelijk is wat de rechtsbescherming inhoudt als je een mediator inschakelt. Mijn vraag aan mevrouw Veldhoen is dan ook als volgt. Stel dat de regering dat niet doet, maar er komt een initiatief vanuit de Tweede Kamer. Zou de PRO-fractie daar in beginsel mee akkoord kunnen gaan? Het hangt er natuurlijk helemaal van af hoe dat uitgewerkt wordt.

Mevrouw Veldhoen (PRO):

Op dat laatste kan ik natuurlijk niet vooruitlopen. We zouden eerst moeten zien hoe dat wetsvoorstel eruit zou komen te zien. De Tweede Kamer is eerst aan zet en daarna zijn wij. Daar ga ik nu dus geen uitspraken over doen. Ik kan me wel voorstellen dat als de regering mediation een meer prominent onderdeel maakt van de rechtsbescherming die je als rechtsstaat biedt aan burgers, je daar ook meer voorwaarden aan stelt. Dan weten burgers ook dat het voldoende onafhankelijk is en dat bijvoorbeeld de geheimhouding goed is geregeld. Ik kan me dus wel voorstellen dat het belangrijk is dat het goed geregeld wordt, maar op een eventueel wetsvoorstel ga ik nu niet vooruitlopen; ik ga ook mijn collega's van de Tweede Kamer niet voor de voeten lopen.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Veldhoen (PRO):

Dank u wel. Ik was bij het coalitieakkoord en een aantal afspraken die wij verwelkomen. Een daarvan is het afschaffen van het verbod op toetsing aan de Grondwet. Ook het verlagen van de griffierechten en investeringen in de gefinancierde rechtsbijstand worden door ons verwelkomd. Ook is mijn fractie blij met het voornemen om de rechtspraak een eigen begroting te geven en de rol van de minister bij benoemingen van de leden van de Raad voor de rechtspraak te schrappen. Dit zijn keuzes voor de lange termijn die de rechtsstaat versterken, en dat is rechtsstatelijk leiderschap. Maar het voornemen alleen is niet voldoende. Klopt het dat er nog geen wetsvoorstellen liggen die zien op de versterking van de onafhankelijkheid van de rechtspraak? Kan de staatssecretaris aangeven wanneer deze wetsvoorstellen wel naar de Kamer komen?

De Algemene Rekenkamer noemt de regie op de strafrechtketen een ernstige onvolkomenheid en roept de minister ertoe op zijn aanwijzingsbevoegdheid jegens de ketenpartners te gebruiken. Mijn fractie deelt de zorgen over de keten, maar vraagt om een helder onderscheid. Richting politie en OM is regie de verantwoordelijkheid van de minister; richting de rechtspraak ligt dat anders. Wie de bedrijfsvoering stuurt, beïnvloedt ook prioriteiten en zittingscapaciteit en daarmee indirect de rechtspleging zelf. Een aanwijzing zou de onafhankelijkheid verzwakken die dit kabinet met een eigen begroting en nieuwe benoemingsregels juist wil versterken. Dat is in de ogen van mijn fractie ook een kortetermijnoplossing met gevolgen voor de verhoudingen tussen de drie staatsmachten en daarmee voor de rechtsstaat. Kan de minister toezeggen dat hij die aanwijzingsbevoegdheid niet inzet richting de Raad voor de rechtspraak?

Dan een zorg die voor mijn fractie zwaar weegt: de manier waarop politici en bestuurders met enige regelmaat omgaan met uitspraken van de rechter. De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur constateerde in zijn rapport Met recht balanceren, uit 2024, dat de bewaking van de rechtsstaat te eenzijdig bij de rechter is komen te liggen. Regering en parlement zoeken de randen op van het recht, ook van het Europees recht, en gaan daaroverheen. De rechter past vervolgens het recht toe en krijgt dan het verwijt op de stoel van de politiek te gaan zitten. Politici laten zich ook in die zin uit. Rechtsstatelijk leiderschap betekent in de eerste plaats zorgvuldige wetgeving. Dat is wetgeving die de toets aan hoger recht kan doorstaan. De uitspraak van de rechter geldt en respecteer je, ook als die je politiek onwelgevallig is. Op politici, in het bijzonder op bewindspersonen, rust hiervoor een verantwoordelijkheid. Elke keer dat een uitspraak traag of onvolledig wordt uitgevoerd en elke keer dat het gezag van de rechter in twijfel wordt getrokken, is dat een aantasting van het fundament van de rechtsstaat. Rechtsstatelijk leiderschap is ook hierin het goede voorbeeld tonen.

Dan kom ik bij twee onderwerpen waarbij grondrechten in het bijzonder in het geding zijn. Als eerste het demonstratierecht. Dat staat van twee kanten onder druk. Demonstraties lopen de afgelopen tijd geregeld uit de hand. Hoogleraar Bart Schuurman beschreef de gewelddadige rellen bij azc-demonstraties als bewuste geweldpleging, gericht op het ondermijnen van de democratische rechtsstaat. Mijn fractie veroordeelt geweld — laat dat duidelijk zijn — maar wat ons zorgen baart, is de daaropvolgende reflex, die het patroon is van mijn betoog. De rechtsstatelijke weg is het grondrecht beschermen en daarnaast consequent handhaven, maar de reactie was het trachten te beperken van het grondrecht zelf.

De minister kwam met het wetsvoorstel voor een verbod op gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties. De adviezen over het wetsvoorstel van het College voor de Rechten van de Mens, de Raad voor de rechtspraak en de orde van advocaten waren onverdeeld kritisch, omdat het op gespannen voet staat met de Grondwet en vanwege het chilling effect. De minister gaf daarop aan dat het verbod mogelijk wordt omgezet in een strafverzwaringsgrond in het Wetboek van Strafrecht. Mijn vraag is: wat is daarvan nu de status? Kan de minister bevestigen dat het wetsvoorstel definitief van de baan is? De Ombudsman concludeert in zijn rapport Sta voor protest! dat het voor hem glashelder is dat er geen behoefte is aan meer wetgeving om demonstraties te beperken. Onderschrijft de minister dat? Op welke wijze is de minister voornemens invulling te geven aan de oproep van de Ombudsman om het demonstratierecht te beschermen in woord en in daad?

De heer Schalk i (SGP):

Ik heb eigenlijk twee vragen naar aanleiding van dit laatste stukje. De eerste vraag gaat over die gezichtsbedekkende kleding. In 2017 of 2018 — dat weet ik niet meer helemaal zeker — heb ik een motie ingediend juist om die gezichtsbedekkende kleding eventueel strafbaar te stellen. Die motie is hier toen aanvaard. We wachten nog op de uitkomst. Ziet mevrouw Veldhoen met mij dat een aantal mensen, ernstige relschoppers, vaak zelfs wetsovertredingen begaan en dat doen terwijl ze bewust ervoor zorgen dat ze niet herkenbaar zijn? Op welke manier kun je nou de rechtsstaat beschermen als mensen massaal misbruik maken van het demonstratierecht en niet herkenbaar zijn? Ik snap dat er hele bijzondere situaties zijn waarin mensen onherkenbaar moeten zijn, maar dat kun je dan ook van tevoren afstemmen met bijvoorbeeld een burgemeester. Maar in zijn algemeenheid, hoe moet je dat dan als minister van Justitie zeg maar in het vat gieten?

Mevrouw Veldhoen (PRO):

Precies zoals ik zojuist gezegd heb: door heel fors in te zetten op handhaving. Dus politie-inzet. Dus opsporen, vervolgen en berechten. Daarvoor zijn nu voldoende mogelijkheden. Dat is ook wat de Ombudsman zegt. Er is voldoende wetgeving om ervoor te zorgen dat demonstraties in goede banen geleid kunnen worden. Overigens zegt de Ombudsman ook dat 97% van de demonstaties volstrekt probleemloos verloopt. Het is een heel klein percentage waarbij problemen optreden. De Ombudsman zegt ook: je moet niet vanwege dat geringe aantal demonstraties dat problemen veroorzaakt het demonstratierecht van alle burgers inperken. Je moet dus, nogmaals, inzetten op handhaving, handhaving, handhaving en daarvoor zijn gewoon voldoende middelen. Dat is ook de conclusie van de Ombudsman.

De heer Schalk (SGP):

Dank. Nou kun je niet handhaven op die gezichtsbedekkende kleding als daar niet iets voor geregeld wordt, maar even dat daargelaten. Ook al is het percentage van demonstraties die echt uit de hand lopen klein, dat zijn wel heel vaak enorme schade berokkende demonstraties, aan de economie of aan allerlei publieke en private materialen of bezittingen. Daar komt ook bij dat er dus heel veel wetsovertredingen zijn. Ik ben het helemaal met mevrouw Veldhoen eens dat daarop gehandhaafd moet worden, maar in een van de deskundigenbijeenkomsten die we hier hebben gehad werd aangegeven dat er bij grotere manifestaties heel veel mensen zijn die de wet overtreden. Die worden dan bijvoorbeeld van de snelweg geplukt, maar worden niet vervolgd omdat we daar geen capaciteit voor hebben. Is mevrouw Veldhoen het met mij eens dat dat eigenlijk juist ondermijning van de rechtsstaat is en dat we moeten voorkomen dat mensen weggezonden kunnen worden die zich gewoon aantoonbaar hebben misdragen dan wel de wet hebben overtreden?

Mevrouw Veldhoen (PRO):

Als er strafbare feiten worden gepleegd, moet er worden vervolgd. Zo simpel is het. En dan moet er ingezet worden op capaciteit. Dat is ook de lijn van mijn betoog. Dan moet je inzetten op de rechtsstatelijke weg en zorgen dat er voldoende capaciteit is voor opsporing, vervolging en berechting. Dan moet je niet een kortetermijnoplossing, in mijn optiek, in het leven roepen waarmee je dat grondrecht dus verder onder druk zet, zoals met dat verbod op gezichtsbedekkende kleding. Je moet gewoon de rechtsstatelijke weg kiezen en dat is dat je als er strafbare feiten worden gepleegd op grond daarvan optreedt en dat iemand berecht moet worden.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Veldhoen (PRO):

Dank u wel. Los daarvan wil ik nog het volgende zeggen over demonstraties. Het klimaat waarin demonstraties escaleren ontstaat niet vanzelf. Landelijke politici spelen daarin een belangrijke rol en taal doet er dan toe. Rechtsstatelijk leiderschap vraagt hier om taal die de-escaleert in plaats van opstookt. Het vraagt om consequent optreden van de driehoek — ik zei het net ook al — en steun daarvoor vanuit de landelijke politiek. En het vraagt om het ondubbelzinnig afwijzen van geweld, ongeacht wie het pleegt en waartegen wordt gedemonstreerd.

Het tweede onderwerp waar ik kort bij stil wil staan wat de rechtsstaat betreft is digitalisering, en dan in het bijzonder de bescherming van burgers in het digitale domein. Kunstmatige intelligentie biedt de overheid enorme mogelijkheden. AI draagt bij aan een betere dienstverlening en een doelmatiger uitvoering. Mijn fractie erkent dat. Rechtsstatelijk leiderschap brengt echter met zich dat de regering, ook in EU-verband, ervoor zorgt dat de inzet van AI plaatsvindt binnen de kaders van de rechtsstaat en dat de fundamentele rechten van burgers zijn gewaarborgd voordat een systeem in gebruik wordt genomen en niet pas daarna. De ervaringen van de afgelopen jaren laten zien waarom die volgorde ertoe doet. SyRI, de toeslagenaffaire en het CAS-systeem van de politie hebben met elkaar gemeen dat geautomatiseerde systemen werden ingezet zonder dat de beginselen van kenbaarheid, motivering en non-discriminatie voldoende waren geborgd. De gevolgen voor burgers waren ernstig en het herstel van het vertrouwen in de overheid vraagt nog altijd veel aandacht.

Het Algoritmeregister bestaat, maar registratie is niet verplicht. De Autoriteit Persoonsgegevens constateerde in maart van dit jaar dat de voortgang onvoldoende is en dat adequaat zicht op risicovolle toepassingen ontbreekt. De toenmalige voorzitter van de AP, Aleid Wolfsen, zei begin dit jaar: "Vijf jaar na het toeslagenschandaal zijn de lessen duidelijk, maar de opvolging blijft achter. Dat komt vooral doordat stevige regels voor algoritmes en AI en handhaving hiervan ontbreken. Nu de druk om AI te omarmen toeneemt, moeten we grondrechten beschermen. Wie een nieuw schandaal wil voorkomen, moet nú handelen." De AP waarschuwt er daarnaast voor dat overheden te afhankelijk worden van commerciële aanbieders van AI en benoemt dit als een systeemrisico. Dat raakt eveneens aan de rechtsstaat. Een overheid die onvoldoende zicht heeft op en zeggenschap heeft over de systemen die zij inzet, kan niet instaan voor de rechtmatigheid van de besluiten die zij daarop baseert.

Maar wat zou rechtsstatelijk leiderschap op dit terrein inhouden? Mijn fractie ziet vier elementen. Allereerst een wettelijke registratieplicht voor impactvolle algoritmes. Het kabinet kondigde die in december 2022 aan, maar bijna vier jaar later ligt er nog steeds geen wetsvoorstel en is de Europese registratieplicht voor hoge-impactalgoritmes met de Omnibus Digitaal uitgesteld tot eind volgend jaar. Duitsland liet zien hoe het moet en kent sinds begin dit jaar als eerste lidstaat een uitvoeringswet van de AI-verordening met een uitgewerkte toezicht- en sanctiestructuur. Kan de minister toezeggen dat deze uitvoeringswet er nu snel komt en de positie van de AP daarin geborgd is? Het gaat wat mijn fractie betreft zowel om bevoegdheden van de AP als om voldoende financiering voor de AP om al die nieuwe taken uit te kunnen voeren.

Daarnaast moet er een verplichte toets op fundamentele rechten komen bij digitale uitvoering door deze als vierde prioriteit toe te voegen aan de wetgevingstoetsen van JenV. Dan worden waarborgen vooraf gewogen en niet achteraf en wordt het ook voor eenieder kenbaar. Kan de minister toezeggen dat deze vierde toetsingsprioriteit wordt toegevoegd? Kan hij tevens toezeggen dat de toetsen openbaar worden gemaakt? Op dit moment gebeurt dat namelijk niet. Verder moet er meer worden geïnvesteerd in de eigen digitale kennis en autonomie, zodat de overheid zicht houdt op en zeggenschap over haar systemen, ook met het oog op de kwetsbare afhankelijkheid. Tot slot heeft mijn fractie behoefte aan een duidelijk standpunt van deze regering: welke AI-toepassingen acht zij onaanvaardbaar en welke waarborgen biedt zij burgers? Wat is de visie van dit kabinet bij deze ingrijpende ontwikkelingen?

Voorzitter, ik kom tot een afronding. De rechtsstaat is geen vanzelfsprekendheid. Het is geen rustig bezit, maar vraagt voortdurende aandacht, investering en bescherming. Juist in een tijd van politieke polarisatie, geopolitieke instabiliteit en technologische veranderingen is een sterke rechtsstaat onmisbaar. Wij hebben daar allemaal een rol in te spelen. De staatscommissie stelde dat de rechtsstaat een politiek werkwoord is. Een werkwoord vraagt om handelen. Eleanor Roosevelt hield geen betoog over voedselzekerheid. Zij legde een moestuin aan en miljoenen Amerikanen volgden. Rechtsstatelijk leiderschap werkt ook zo. Goed voorbeeld doet goed volgen. Het kan niet blijven bij woorden alleen, het gaat om het voorbeeldgedrag. Het moet blijken uit de keuzes die regering en parlement maken, ook, of misschien wel juist, wanneer de rechtsstatelijke weg op korte termijn de lastigere is en misschien ook meer investeringen vraagt. Dat zijn we onszelf en ook de toekomstige generatie verplicht.

Dit kabinet laat op onderdelen zien dat zij dat doet. Mijn fractie vraagt het kabinet dat consequent te doen. Die vraag richten wij, zoals de staatscommissie deed, nadrukkelijk ook aan onszelf in deze Kamer. Wij zien uit naar de beantwoording van de vragen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Dittrich van D66.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich i (D66):

Voorzitter, dank. Fijn dat de bewindspersonen hier zijn en dat we over de rechtsstaat van gedachten kunnen wisselen met het kabinet en met elkaar, want de rechtsstaat is een van de belangrijkste fundamenten van onze democratie. Sinds 2022 staat dan ook expliciet in de algemene bepaling van onze Grondwet vóór artikel 1 dat de Grondwet de grondrechten én de democratische rechtsstaat borgt. Maar een rechtsstaat is ook meer dan een verzameling wetten en instituties. Het gaat erom dat mensen vrij kunnen leven, dat hun rechten worden beschermd en dat ze op de overheid kunnen rekenen. Vanuit het sociaal-liberale perspectief van D66 is de rechtsstaat dan ook geen abstract juridisch construct, maar een waarborg voor vrijheid, gelijkheid en menselijke waardigheid. Juist daarom moeten we waakzaam zijn wanneer de rechtsstaat onder druk komt te staan. Dat zien we — laat ik daarmee beginnen — internationaal, maar overigens ook in Nederland, waar de bescherming van burgers en het functioneren van onze instituties niet altijd vanzelfsprekend zijn. In dit debat wil ik daarom stilstaan bij zowel de institutionele waarborgen van onze rechtsstaat als bij de manier waarop mensen die in de praktijk ervaren. Want uiteindelijk moet de rechtspraak leveren, de rechtsstaat leveren.

Voorzitter. Onze rechtsstaat staat niet op zichzelf. Ze maakt deel uit van een internationale rechtsorde, die van groot belang is voor de bescherming van de fundamentele rechten en het uitgangspunt dat niemand boven het recht staat. Tegelijkertijd zien we hoe die uitgangspunten onder druk komen te staan. De regering-Trump ondermijnt het internationaal recht door bijvoorbeeld het Internationaal Strafhof, zijn rechters, aanklagers en medewerkers met sancties en uitsluitingen het werk moeilijk ofwel onmogelijk te maken. Ook geeft de Amerikaanse regering landen die de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof erkennen zes maanden de tijd om zich terug te trekken. Tegen die achtergrond klonk het de fractie van D66 als muziek in de oren dat premier Jetten tijdens zijn toespraak bij de Verenigde Naties in september zei: handen af van het Internationaal Strafhof en van de andere internationale instituties. D66 wil graag van de minister weten op welke manieren de Nederlandse regering zich nationaal en internationaal inzet om het Internationaal Strafhof zijn werk te kunnen laten doen.

Voorzitter. Ook in Nederland moeten we uiteraard waakzaam blijven om een sterke rechtsstaat te blijven houden. De Europese Commissie heeft een vergelijkend onderzoek gedaan en was eigenlijk gematigd positief over Nederland. Ook de Commissie van Venetië is gematigd positief, maar plaatst een belangrijke kanttekening, namelijk bij de rol van de minister bij benoemingen van leden van de Raad voor de rechtsspraak. Die zou moeten worden afgeschaft. Dat sluit eigenlijk aan bij de aanbevelingen van professor Soeharno in zijn artikel Constitutionele waarborgen. Ook de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak pleit voor het afschaffen van de ministeriële invloed bij benoemingen en het minimaliseren van die invloed bij benoemingen van gerechtsbestuurders en rechters, en ook voor een separate begroting voor de rechterlijke macht. De Raad voor de rechtspraak heeft hier al een concreet voorstel voor gedaan en de vraag van mijn fractie is hoe het daar eigenlijk mee staat. Welke maatregelen neemt de minister om dit te regelen en op welke termijn?

Tegenover die gematigd positieve beoordelingen staat het zeer kritische rapport van de Staatscommissie rechtsstaat, De gebroken belofte van de rechtsstaat. De commissie concludeert dat de rechtsstaat voor een aanzienlijke groep burgers tekortschiet, dat de overheid te ingewikkeld is geworden en dat de rechtsbescherming onvoldoende is. De staatscommissie doet tien concrete verbetervoorstellen. Mijn vraag aan de regering is welk plan van aanpak zij nu heeft om deze voorstellen uit te voeren.

De noodzaak tot verbetering zien we ook bij de organisaties die onze rechtsstaat dagelijks laten functioneren. Dan denk ik aan de politie, het Openbaar Ministerie, de rechtspraak, de sociale advocatuur en het gevangeniswezen. Ze staan allemaal onder druk vanwege personeelstekorten, ingewikkelde procedures, gebrekkige ICT en een tekort aan cellen. Ook het vertrouwen in overheidsinstituties heeft door bijvoorbeeld het toeslagenschandaal een flinke deuk opgelopen. De snelle opkomst van AI brengt bovendien nieuwe uitdagingen met zich mee. In het rapport van de Algemene Rekenkamer zien we dat de Rekenkamer erg kritisch is over de justitieketen. De minister heeft eerder een deltaplan aangekondigd. Daarin zijn wij zeer geïnteresseerd. Kan de minister de contouren van dat deltaplan schetsen en aangeven wanneer nu de eerste verbeteringen kunnen worden verwacht? Dat hangt eigenlijk ook weer samen met het Wetboek van Strafvordering, dat wij hier in de Eerste Kamer ook uitgebreid hebben bediscussieerd met de minister van Justitie. In 2029 zou dat worden ingevoerd. Gaan we dat wel halen? En als dat niet lukt, wat betekent dat dan voor het vertrouwen van de ketenpartners in het bijzonder in het probleemoplossend vermogen van het Openbaar Ministerie? Wij hebben namelijk begrepen van het Openbaar Ministerie zelf dat daar enorme knelpunten aanwezig zijn.

Een goed functionerende rechtsstaat vraagt niet alleen om sterke instituties en voldoende capaciteit, maar ook om een overheid die begrijpt wat haar handelen betekent voor mensen. Juist wanneer de overheid tekortschiet, moeten burgers erop kunnen vertrouwen dat hun rechten worden beschermd. Václav Havel, de Tsjechische dissident en latere president van Tsjechië, zei — ik citeer hem: "Een rechtsstaat moet niet alleen juridisch, maar ook sociaal, politiek en moreel op orde zijn." Havel benadrukte dat een goed rechtssysteem niet in een vacuüm bestaat. Het vraagt ook om individuele verantwoordelijkheid en een moreel besef dat de waardigheid en onvervreemdbare rechten van ieder mens beschermd worden. Als sociaalliberaal benader ik de rechtsstaat daarom vanuit de belevingswereld van mensen.

Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat Nederlanders de principes van de democratische rechtsstaat breed onderschrijven, maar dat de steun voor waarborgen als machtenscheiding en onafhankelijke toetsing minder vanzelfsprekend is. Daarom zegt het Sociaal Cultureel Planbureau ook dat politici, bestuurders en ambtenaren zich actief moeten opstellen als ambassadeurs van diezelfde rechtsstaat. De Raad voor het Openbaar Bestuur heeft gewezen op een gebrek aan rechtsstatelijk bewustzijn binnen overheidsorganisaties. Daarom pleiten wij voor een structurele rechtsstaatagenda met scholing, reflectie en versterking van de rechtsstatelijke cultuur binnen de overheid. Vraag aan de minister: is de minister bereid om op korte termijn met zo'n rechtsstaatagenda aan de slag te gaan en de Kamer hierbij te betrekken?

Overigens speelt ook het onderwijs een belangrijke rol. Internationaal onderzoek laat zien dat de Nederlandse scholieren achterblijven op het gebied van burgerschapskennis en burgerschapsvaardigheden. Kan de minister toezeggen dat hij samen met zijn collega's op het ministerie van OCW verkent welke aanvullende stappen mogelijk zijn om rechtsstatelijke waarden beter te borgen binnen het onderwijs?

Voorzitter. Een rechtsstaat bewijst zijn waarde vooral wanneer mensen bescherming nodig hebben. Dat de overheid daarin tekort kan schieten, blijkt onder meer uit de bescherming van vrouwen tegen geweld. Elke acht dagen wordt er in Nederland een vrouw vermoord, vaak door een partner of ex-partner. Het kabinet wil de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling verbeteren, onder meer door preventie, vroegtijdige signalering en betere samenwerking. Ook wordt gewerkt aan wetgeving om onder andere dwingende controle en psychische mishandeling expliciet strafbaar te stellen. Dat zijn relevante stappen, maar uiteindelijk gaat het erom of vrouwen daadwerkelijk veiliger worden. Hoe gaat de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld, zoals in het regeerakkoord is aangekondigd, waarborgen dat signalen eerder worden herkend, dat professionals tijdig informatie kunnen delen en dat slachtoffers niet tussen instanties verdwalen? Hoe kunnen gemeenten voldoende opvangplekken bieden? Hoe wordt gemeten of de aanpak ook effectiever wordt? Welke resultaten verwacht de minister en hoe wordt de Eerste Kamer daarover geïnformeerd?

Voorzitter. Een ander punt is de omgang met dakloosheid en mensen met onbegrepen gedrag. Dat vraagt om een overheid die haar verantwoordelijkheid neemt. Politie, gemeenten, de ggz en maatschappelijke organisaties zien een enorme toename van dakloosheid en verwarde personen op straat. De politie moet steeds vaker ingrijpen bij problemen waarvoor eigenlijk de ggz aan zet is. Die kampt echter weer met een enorm tekort aan opvangplekken. Doordat de politie hier zo druk mee bezig is, blijven allerlei aangiftes van andere zaken liggen. De samenleving snakt naar een doorbraak. Op 1 april 2025 heeft de Eerste Kamer een motie aangenomen van mijn collega Carla Moonen die om een plan van aanpak vraagt dat over de hekjes van de ministeries heen gaat om dit probleem in de samenleving aan te pakken. Vervolgens is het regeerakkoord gekomen en daarin wordt dit probleem wel onderkend, maar de vraag is natuurlijk hoe de motie-Moonen en het regeerakkoord op dit punt worden uitgevoerd. Graag een reactie hierop.

Voorzitter. Ook suïcidepreventie raakt aan de bescherming door en verantwoordelijkheid van de overheid. Gemiddeld overlijden 5 mensen per dag door suïcide en elke suïcide raakt daarnaast ongeveer 135 mensen; dat is door onder andere 113.nl helemaal uitgerekend en onderzocht. Vorig jaar hebben wij als Eerste Kamer de Wet integrale suïcidepreventie goedgekeurd. Die wet is op 1 januari van dit jaar, 2026, van kracht en geeft aan de gemeenten een belangrijke rol bij effectief preventiebeleid. Als je naar de cijfers kijkt, schrik je echt. Elke maand sterven 30 jongeren door suïcide. Suïcide is ook de meest voorkomende doodsoorzaak onder jongeren. Lhbti-jongeren zijn daarbij sterk oververtegenwoordigd. Het zijn ook jongeren die discriminatie en pesten ervaren. Ook jongeren uit de jeugdzorg zijn heel kwetsbaar.

Daarom wil ik in dit debat aandacht vragen voor psychosociale autopsie. Dat is een onderzoek waarbij de levensloop, de geestelijke toestand en de omstandigheden voorafgaand aan een suïcide worden gereconstrueerd, onder meer via gesprekken met nabestaanden en dossieronderzoek. Er zijn mensen voor opgeleid om dit werk te doen. Ik verwijs daarvoor naar 113.nl. Uit dergelijke onderzoeken blijkt dat problematische schulden, gokverslaving, alcoholverslaving, drugsverslaving, discriminatie, pesten en eenzaamheid een belangrijke rol kunnen spelen. Hoe meer onderzoek wordt gedaan, hoe beter we de patronen kunnen herkennen en de preventie kunnen verbeteren, zoals het wetsvoorstel dat wij hebben aangenomen voorschrijft.

Dat raakt ook het terrein van Justitie en Veiligheid, want bij een vastgestelde zelfdoding stoppen politie en OM met elk onderzoek. Dat is eigenlijk een gemiste kans, wanneer nader onderzoek kan helpen om herhaling te voorkomen. Bovendien zijn politie en OM niet aangesloten bij initiatieven om psychosociale autopsie aan te bieden. Nabestaanden zouden standaard op de mogelijkheden moeten worden gewezen. De Wet integrale suïcidepreventie kent, zo blijkt, geen invoeringstoets en de evaluatie moet nog worden opgezet. Zou de minister willen toezeggen dat de regering samen met 113.nl een invoeringstoets organiseert en dat de standaarddoorverwijzing naar psychosociale autopsie door politie en OM wordt meegenomen in de evaluatie? Zou die doorverwijzing niet moeten worden verankerd in de opleidingen van de politie en het Openbaar Ministerie?

De heer Talsma i (ChristenUnie):

Ik luister met belangstelling naar de bijdrage van collega Dittrich. Als ik dat laatste gedeelte een beetje op me laat inwerken, krijg ik de indruk — dat toets ik dan maar even bij hem — dat collega Dittrich nu pleit voor een actieve rol van politie en Openbaar Ministerie bij het onderzoeken van zelfdodingen. Dan vraag ik me, in het kader van de rechtsstaat, toch af hoe dat zich verhoudt tot de wettelijke taak die politie en Openbaar Ministerie hebben.

De heer Dittrich (D66):

Ik ben heel blij met deze vraag, want dat is uitdrukkelijk juist niet mijn bedoeling. Als er nu een overlijden is waarbij de politie wordt ingeschakeld en de politie ziet dat er een zelfdoding heeft plaatsgevonden, stopt alles, terwijl er in de samenleving — denk aan 113.nl — allerlei mensen zijn opgeleid om zo'n psychosociale autopsie te doen. Dat moet dus niet door de politie of het OM worden gedaan, maar die moeten wel goed kunnen doorverwijzen. Dat gebeurt niet. Vanuit de samenleving hebben wij allerlei berichten ontvangen waaruit blijkt dat daar echt een leemte zit, waardoor we met z'n allen onvoldoende leren hoe we vanuit preventie kunnen voorkomen dat zelfdodingen op zo'n grote schaal plaatsvinden.

Als je tot je door laat dringen dat het om 30 jongeren per maand gaat en dat het de meest voorkomende doodsoorzaak is, besef je dat wij hierin echt een rol te vervullen hebben. Ik zou de fracties van de SGP en de ChristenUnie en de andere fracties uit de Tweede Kamer die het initiatief hebben genomen voor dat wetsvoorstel, graag een compliment willen geven, want normaal gesproken blijft dit eigenlijk altijd buiten het politieke debat, terwijl die wet op de suïcidepreventie in de ogen van de fractie van D66 in de Eerste Kamer een belangrijk middel is om hier werk van te maken.

De heer Schalk i (SGP):

Ook ik zit met belangstelling te luisteren naar dit deel van het betoog van de heer Dittrich. Ik zat even naar wat cijfers te kijken. Er waren 1.758 suïcidegevallen vorig jaar. Daarvan zou een deel te voorkomen zijn door goede preventie, wellicht; laten we dat hopen. Maar ik zag ook 10.000 euthanasiegevallen en 40.000 abortussen. Zouden we niet moeten inzetten op veel bredere preventie als het gaat over elementen en onderwerpen die te maken hebben met doodsoorzaken?

De heer Dittrich (D66):

Dit is een heel interessante vraag van de heer Schalk. Hij noemt bijvoorbeeld euthanasie. Daar is het natuurlijk zo dat degene die euthanasie wil, van tevoren gesprekken heeft met de huisarts of een andere arts die dat begeleidt en daarbij betrokken is. In die voorfase zijn natuurlijk al heel wat gesprekken aan de gang. Het is natuurlijk niet zo dat er pats-boem een euthanasie plaatsvindt. Dus daar zie ik dat wij goed functionerende euthanasiewetgeving hebben en zie ik niet een extra rol voor de overheid, behalve in z'n algemeenheid bij voorlichting.

De heer Schalk (SGP):

Laat ik even op dat ene onderwerp doorgaan: euthanasie. Ik heb weleens gehoord van een verpleeghuisdirecteur die op een gegeven moment tegen z'n mensen zei: hier mag alles, je mag alleen geen "maar" zeggen. Toen zeiden ze natuurlijk "ja, maar stel …" en toen was het "nee, je mag geen "maar" zeggen". Vervolgens mocht inderdaad heel veel, waardoor bijvoorbeeld eenzaamheid enorm werd teruggedrongen. Na een jaar was die directeur heel erg boos. Hij zei: ik hoor iets heel belangrijks nooit van jullie, namelijk dat mensen euthanasie willen. Toen zeiden ze: ja, maar ze willen niet meer. Met andere woorden, zou je niet bij preventie ook kunnen denken aan dit soort elementen als het tegengaan van eenzaamheid en dergelijke, en kan de overheid daar ook nog een rol in vervullen?

De heer Dittrich (D66):

Ik vind het opkomen voor mensen die zich eenzaam voelen, proberen dat gevoel weg te nemen en die mensen begeleiding geven of iets dergelijks zodat ze zich niet of minder eenzaam voelen, belangrijk. Er zijn heel veel maatschappelijke organisaties en mensen die dat doen. Laten we ook niet vergeten dat mensen vaak familie en een vriendenkring en dat soort dingen hebben. Dus ik weet niet of daar een eerste rol voor de overheid is weggelegd. Maar dat eenzaamheid in de samenleving een probleem is, is inderdaad wel duidelijk.

Voorzitter. Ik wil doorgaan met mijn betoog. Ik wilde het hebben over nieuwe uitdagingen voor de rechtsstaat, namelijk de ontwikkeling van AI. Maar ik heb goed geluisterd naar mevrouw Veldhoen en ben het eigenlijk heel erg eens met de dingen die zij heeft gezegd en de vragen die zij heeft gesteld. Ik wil het dus tot één ding beperken en dat is dat wij nu heel erg van Amerikaanse techgiganten afhankelijk zijn. Dat zijn nou juist mensen die helemaal niet een gevoel hebben voor de democratische rechtsstaat, maar zich veel meer richten op commerciële belangen en hun eigen machtspositie. Mevrouw Veldhoen had het er ook al over dat AI-modellen vaak niet getest worden, terwijl het voorzorgsbeginsel er juist toe zou moeten leiden dat dat wel gebeurt. Daarom pleiten wij er ook voor dat er ook in EU-verband bekeken gaat worden hoe we regels aan AI kunnen stellen. Ik sluit me aan bij die vraag. Ik kijk ook naar de boeken van Marietje Schaake, die over de macht van big tech en de impact van technologie op de democratie geschreven heeft.

Uiteindelijk wil ik dit onderwerp afsluiten met de vraag: kan de minister aangeven hoe vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de rechtsstaat aan regulering van AI wordt gewerkt? Overigens kan het ook heel positief zijn, natuurlijk. Denk aan het opsporen van kinderporno. Dan kan AI ingezet worden, wat ontlastend is voor de rechercheurs, die normaal gesproken dagelijks, elke dag maar weer, vreselijke beelden moeten zien. AI kan ingezet worden om de schaal en patronen te ontdekken, waarna dan pas een menselijke beoordeling plaatsvindt. Mijn vraag aan de bewindslieden is dus: kunt u aangeven op welke positieve manieren AI ingezet kan worden om te helpen bij het oplossen van bestaande knelpunten?

Voorzitter. Dan wil ik nog stilstaan bij polarisatie en het functioneren van onze democratische rechtsstaat, want ook toenemende polarisatie kan onze rechtsstaat onder druk zetten. Mensen moeten zich gehoord en gezien voelen door de overheid, ook wanneer ze het niet eens zijn met het beleid. Discussies over bijvoorbeeld het demonstratierecht en de vrijheid van meningsuiting leggen een groot beslag op de justitieketen en op gemeentes. Veiligheidsdiensten waarschuwen voor anti-institutionele sentimenten, maar aan de onderliggende oorzaken besteden we vaak minder aandacht. Negatieve polarisatie versterkt het wij-zijdenken en zet groepen tegenover elkaar. Dat blijkt uit allerlei rapporten die hierover verschenen zijn. Sociale media versterken dit proces doordat ophef, conflict en extreme standpunten vaak veel aandacht krijgen. Zo kan het publieke debat bijdragen aan belediging, haatzaaien, racisme, antisemitisme en discriminatie. De gevolgen voor de samenleving zijn groot. Het vertrouwen in de politiek en in instituties daalt. De samenwerking stokt en de afstand tussen groepen groeit. Mensen zien elkaar steeds vaker als tegenstander in plaats van als gesprekspartner.

Ook politieke uitingen spelen hierin een rol. Het rapport Tussen Kamer, krant en sociale media, van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme, laat zien dat negatieve of discriminerende uitingen van politici over bevolkingsgroepen kunnen worden gevolgd door vergelijkbare uitingen op sociale media. En zo dreigt vijandige taal steeds normaler te worden. De vraag is natuurlijk: hoe keren we deze ontwikkeling? Moeten we lijdzaam toekijken of kunnen wij, vanuit onze rol als medewetgever en chambre de réflexion, bijdragen aan een ommekeer?

In de troonrede van 2026 zei de Koning: "De geest van redelijkheid en elkaar wat gunnen lost meer problemen op dan de voortdurende ophef die nu soms de overhand lijkt te hebben." Daarom stellen wij voor dat de Eerste Kamer een initiatief neemt voor een politieke partijen overstijgende verkenning naar de vraag hoe een respectvol inhoudelijk publiek debat kan worden bevorderd en negatieve polarisatie kan worden tegengegaan. Daarbij kunnen we gebruikmaken van bestaande rapporten. We kunnen bijeenkomsten organiseren. We kunnen vervolgens kijken welke rol wij als senaat daarbij kunnen spelen. Dus mijn vraag aan de collega's is of de collega's bereid zijn om aan zo'n gezamenlijke verkenning mee te werken, bijvoorbeeld via een tijdelijke werkgroep die aan een of meerdere commissies uit de Eerste Kamer een voorzet kan geven.

De heer Marquart Scholtz i (BBB):

Een heel interessante gedachte van de heer Dittrich. In dit verband zou ik graag een reflectie zien van de heer Dittrich op een uitlating van zijn voorman en de premier van alle Nederlanders, de heer Jetten, namelijk dat hij tegenstanders van lhbtq+ enzovoort "vol op de bek gaat slaan" en op het feit dat het hele congres van D66 daar volop voor applaudisseerde. Wat vindt hij daarvan?

De heer Dittrich (D66):

Ik heb ook gehoord dat de premier — "de heer Jetten", moet ik in dit geval zeggen — heeft gezegd dat dat een slip of the tongue was, dat het een emotionele reactie was.

De heer Marquart Scholtz (BBB):

Wil de heer Dittrich ons doen geloven dat dit een slip of the tongue was, terwijl er bij D66 sprake is van een georkestreerde propagandamachine, zeker op het congres, en elk woord van tevoren overwogen is?

De heer Dittrich (D66):

Dit laatste kan ik zeker niet onderschrijven.

De voorzitter:

Dank u wel. U was aan het einde van uw betoog.

De heer Dittrich (D66):

Mag ik nog een slotzin …

De voorzitter:

Nou, u bent al een minuut over uw tijd heen.

De heer Dittrich (D66):

28 seconden, zag ik.

De voorzitter:

Nou, ik heb het goed bijgehouden. Als de slotzin uit één zin bestaat, kan het.

De heer Dittrich (D66):

Dan zou ik willen zeggen dat wij met belangstelling de antwoorden van de bewindspersonen afwachten.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zie dat er toch nog een interruptie van de heer Nicolaï is.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik zal niet de vraag stellen wat de heer Dittrich nog had willen zeggen. Dat kan namelijk ook, maar zo spelen we het spel niet. Ik wil eigenlijk helemaal terug naar het begin van zijn betoog, toen hij refereerde aan een wetsontwerp dat ook hier langsgekomen is, waarbij we de algemene bepaling van de Grondwet hebben ingevoerd. Die algemene bepaling luidt: de Grondwet waarborgt grondrechten en de democratische rechtsstaat. Dat heeft de heer Dittrich ook voorgelezen. Mijn vraag is: is dat niet veel te sober? Dat staat dan nog los van het idee dat het volgens mij raar is om in de Grondwet te zetten wat de Grondwet doet, omdat mensen dat kunnen lezen.

Daar is een hele discussie aan voorafgegaan. Er lag ook een voorstel van de commissie-Thomassen. Die had gezegd dat er een algemene bepaling moest komen met drie leden. Ik lees het tweede lid even voor, en dan wil ik graag van de heer Dittrich horen of dat is wat hij bedoelde met zijn stelling: we moeten, als D66 en als Eerste Kamer, een meer werkelijke bescherming in de Grondwet leggen. Ik citeer: "De overheid eerbiedigt en waarborgt de menselijke waardigheid, de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen." Ik denk dat we dat allemaal zo vinden, maar als we dat in de Grondwet zetten, heeft dat dan niet een bepaalde waarde?

De heer Dittrich (D66):

Ik dank de heer Nicolaï voor die vraag. Ik kan me herinneren dat we in deze zaal het debat over die, laten we zeggen, preambule voor de Grondwet gevoerd hebben. Dit citaat is toen inderdaad aan de orde geweest. Dat steunen wij, maar de tekst die toen voorlag, was een andere. Dat is de tekst waar wij met een tweederdemeerderheid voor gestemd hebben. Dat geeft dus al een kader aan voor hoe wij naar de Grondwet kijken. In antwoord op de vraag van de heer Nicolaï zou ik eraan willen toevoegen dat wij het belangrijk vinden dat de grondrechten getoetst kunnen worden door de rechters, en dan niet alleen de klassieke grondrechten, maar ook de sociale grondrechten. Dat geeft namelijk veel meer body en leven aan de Grondwet. Daar kunnen de burgers in Nederland via de rechtspraak dan ook hun voordeel mee doen.

De heer Schalk (SGP):

Ik kom nog heel even terug op het laatste punt van de heer Dittrich. Het is denk ik een heel interessante gedachte om te kijken wat deze Kamer zelf kan betekenen als het gaat over polarisatie. Hij noemde de term "negatieve polarisatie". Ik zou hem willen vragen: is er ook positieve polarisatie en is die juist weer wel gunstig? Op welke manier kun je dat wegen? Of is dat juist iets wat zo'n werkgroep zou moeten onderzoeken?

De heer Dittrich (D66):

Dank voor deze vraag. In de literatuur en de onderzoeken die ik daarover gelezen heb, wordt hiertussen een onderscheid gemaakt. Polemiek in het publieke of politieke debat is natuurlijk goed. Er zijn verschillende meningen en die kunnen ook botsen en schuren; dat is allemaal niet het probleem. Het gaat erom dat bij negatieve polarisatie bevolkingsgroepen als het ware worden weggezet en zich niet meer verbonden weten met de samenleving. Dat raakt de rechtsstaat. Kijk naar het rapport van de AIVD; die heeft daar uitgebreid over geschreven. Dat vraagt, in onze ogen, toch een reactie van de Eerste Kamer. Kunnen wij daar een rol in spelen? Zouden we daarover in zo'n tijdelijke werkgroep verder van gedachten kunnen wisselen en zouden we dan tot een bepaalde uitkomst kunnen komen?

De heer Schalk (SGP):

Als ik het goed begrijp, is het dus geen werkgroep die met allerlei rapporten en plannen komt, maar een werkgroep die verkent waar het fout gaat en wat eventueel de rol van de Eerste Kamer zou kunnen zijn.

De heer Dittrich (D66):

U hebt dat goed samengevat.

De heer Van Rooijen i (50PLUS):

Een korte vraag over de Grondwet. Mijn fractie stoort zich al lang aan het feit dat in de Grondwet steeds meer groepen worden genoemd die je niet mag discrimineren, terwijl … We hebben het al een paar keer gezegd: doe dat nou überhaupt niet; discriminatie in het algemeen is niet toegestaan. Het blijft heel bizar, vindt mijn fractie, dat leeftijd er niet bij staat, want dat raakt de hele bevolking. Je mag blijkbaar wel discrimineren naar leeftijd. Er komen nu heel veel factoren op basis waarvan je niet mag discrimineren, maar leeftijd ontbreekt daarbij. Als we er toch over nadenken, vindt u dan niet dat dat meegenomen zou kunnen worden?

De heer Dittrich (D66):

Sterker nog, er was indertijd een initiatiefvoorstel van Henk Krol om leeftijdsdiscriminatie ook op te nemen in artikel 1 van de Grondwet. Daar heb ik me toen voor uitgesproken. Ik moet er wel meteen bij zeggen dat daartegen allerlei bezwaren geopperd werden, onder andere door de Raad van State, dus het heeft nooit de drempel gehaald. Dat mensen niet gediscrimineerd mogen worden op grond van hun leeftijd, vind ik een heel belangrijk beginsel en wat mij betreft hoort dat thuis in het rijtje van artikel 1 van de Grondwet.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Vindt u dat het ook meegenomen zou moeten worden in de werkgroep die u voorstelt en die we hier dan eventueel met elkaar gaan vormen, of staat het er los van?

De heer Dittrich (D66):

Die werkgroep gaat natuurlijk meer over negatieve polarisatie, haatzaaien en dat soort dingen. Ik zou daarin wel een zekere beperking willen aanbrengen, maar de gedachte om leeftijdsdiscriminatie tegen te gaan, vind ik een hele belangrijke.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Doornhof. Hij spreekt namens het CDA.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Doornhof i (CDA):

Dank u, voorzitter. Laat ik met iets fundamenteels beginnen. Alle volken bezitten zelfbeschikkingsrecht. Uit hoofde van dit recht bepalen zij in alle vrijheid hun politieke status en streven zij vrijelijk een economische, sociale en culturele ontwikkeling na. Dit is bepaald in artikel 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Ons land heeft deze vrijheid benut om een specifieke vorm van landsbestuur te kiezen: de democratische rechtsstaat. Je bent al snel geneigd om te denken dat dit allemaal zijn oorsprong vindt in de grondwetsbepalingen die in 1814 en 1848 het licht hebben gezien, maar onze fractievoorzitter wees ons op het Groot Privilege van Maria van Bourgondië uit 1777. Zelf kwam ik met het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581. In dat laatste document staat dat het aan een vorst is om zijn onderdanen te beschermen tegen onrecht en geweld zoals een herder zijn kudde en dat de onderdanen niet geschapen zijn om onder tirannie te leven. De overheid moet heden ten dage alle zeilen bijzetten om burgers en bedrijven die genoemde bescherming te bieden.

Tijdens deze bijdrage bespreek ik in dit verband graag allereerst de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en de internationale dimensie daarvan. Vervolgens ga ik in op de ernst van discriminatie.

De voorzitter:

Meneer Doornhof, onze griffier zegt dat Maria van Bourgondië in 1477 met het Groot Privilege kwam, zeg ik even voor de Handelingen.

De heer Doornhof (CDA):

Dat is een goede aanvulling.

De voorzitter:

Dan hebben we het over dezelfde Maria van Bourgondië. Gaat u verder.

De heer Doornhof (CDA):

Ten slotte bespreek ik de positie van de rechter en de eigen rol van de senaat.

We hebben in Nederland te maken met criminaliteit die, gewelddadig en nietsontziend als zij is, nauwelijks nog grenzen lijkt te kennen. Ik moet, net als een aantal collega's die ook advocaat zijn, meteen denken aan de moord op Derk Wiersum; voor je huis worden doodgeschoten, enkel omdat je je werk als advocaat van een kroongetuige doet. De gewelddadige dood van misdaadjournalist Peter R. de Vries kun je hierbij in één adem noemen, evenals de moord op de onschuldige broer van diezelfde kroongetuige. Uiteindelijk hangen al deze moorden samen met georganiseerde drugscriminaliteit. Hetzelfde geldt vaak voor zogenoemde vergismoorden en -explosies, gewoon in Nederlandse woonwijken. In Rotterdam vonden alleen al vorig jaar 168 explosies plaats. Ten slotte noem ik nog een medewerker van een gevangenis die door een ex-gedetineerde zonder pardon werd vermoord op een terras.

Voorzitter. In dit verband zegt de filosoof Ad Verbrugge in zijn boek De gezagscrisis dat de groei van de georganiseerde misdaad in ons land een vorm aanneemt die het politiegezag ondergraaft. Hij wijst erop dat de onderwereld in onze grenzeloze netwerksamenleving heeft kunnen groeien en daardoor zelf een heuse kapitaalmacht is geworden, die ook in de bovenwereld is doorgedrongen. Dit is hiermee in de ogen van Verbrugge een belangrijk onderdeel van de machtsleegte waarmee de overheid onder meer worstelt. Onze fractie ziet hier een wezenlijk probleem in het licht van het christendemocratische uitgangspunt van de publieke gerechtigheid. Hieruit volgt dat we juist geloofwaardig overheidsoptreden moeten hebben om te voorkomen dat burgers eigenrichting plegen of hun vertrouwen in en respect voor het recht verliezen.

Ik zou het ook graag hebben over de internationale dimensie. Verbrugge stelt dat de poreuze staat, met zijn open grenzen, zich moeilijk kan verweren tegen de machten die naar binnen dringen. Als ik dan teruggrijp op mijn inleiding: die machten hollen onze volkenrechtelijke keuze voor de democratische rechtsstaat uit. Het is nog maar kort geleden dat in Overasselt een grote groep gewapende mannen, voor een groot deel met een buitenlands paspoort, bij een woning verscheen, een beveiliger vermoordde en vervolgens zelfs raak schoot op toegesnelde politieagenten. Mijn fractie denkt ook aan de internationaal opererende netwerken die zich schuldig maken aan mensenhandel. In dit licht verdient de bewaking van onze grenzen verdere herwaardering.

Daarbij speelt bovendien dat de inrichting en het besturen van een rechtsstaat zich moeizaam laten verenigen met de aanwezigheid van een grote groep mensen die zich onrechtmatig binnen onze landsgrenzen bevindt. Onze fractie heeft er in dit verband kennis van genomen dat sinds deze maand de tijdelijke grenscontroles zijn beëindigd en zijn vervangen door een verruimde vorm van mobiel vreemdelingentoezicht. Volgens het kabinet kan de Koninklijke Marechaussee daarmee effectiever en gerichter controleren wie Nederland binnenkomt. Dat klinkt op zichzelf aantrekkelijk, maar hoe weet de regering dat dit nieuwe stelsel daadwerkelijk effectiever is? Bestaat er voldoende zicht op wie ons land binnenkomt en wie hier zonder verblijfsrecht aanwezig is?

Voorzitter. Uiteindelijk kunnen deze vragen niet los worden gezien van de bewaking van de Europese buitengrenzen. Het vrije verkeer binnen het Schengengebied veronderstelt immers dat de buitengrenzen daadwerkelijk worden bewaakt. Juist op dat punt stemmen de gebeurtenissen in de Spaanse enclave Ceuta deze zomer bepaald niet gerust. Deelt de regering de opvatting van de CDA-fractie dat een geloofwaardige grensbewaking niet alleen afhankelijk is van een stelsel van mobiel vreemdelingentoezicht door de Koninklijke Marechaussee, maar ook van de bereidheid en het vermogen van andere lidstaten om hun deel van de Europese buitengrens daadwerkelijk te bewaken?

De heer Hartog i (Volt):

Ik denk dat de heer Doornhof en de Voltfractie een fundamenteel verschil van mening hebben over het nut van binnengrenzen. Maar mijn vraag gaat over het volgende. Wij hebben het allemaal uitgezocht: door de grenscontroles op de binnengrenzen hebben we in Nederland 440 meer asielzoekers gekregen, omdat Duitsland en België er meer terugsturen dan Nederland. Dat hebben we vastgesteld in deze Kamer, dus in die zin is het goed dat ze zijn afgeschaft. Maar mijn vraag gaat over de rechtsstatelijkheid van die grenscontroles. Volgens het Schengenverdrag zouden die helemaal niet moeten kunnen en in ieder geval tijdelijk moeten zijn. Hoe kijkt de heer Doornhof tegen die rechtsstatelijkheid aan? Of wil hij uit het Schengenverdrag stappen?

De heer Doornhof (CDA):

Het is voor mij wat lastig om de gehele juridische discussie hier te voeren. Ik ben weliswaar juridisch onderlegd, maar op het punt van het vreemdelingenrecht kan ik niet zo alles opdissen. Wat wel vaststaat, is dat de regering ervoor heeft gekozen om juist niet aan de grens te controleren, maar om met het mobiele toezicht aan het werk te gaan. Dat is toegestaan op basis van de Vreemdelingenwet. U vraagt eigenlijk hoe zich dat verhoudt tot de Schengenregels. Misschien kunt u die vraag beter aan de regering stellen dan aan mij.

De heer Hartog (Volt):

Toch stel ik de vraag aan de heer Doornhof, want hij komt met een verhaal over interne grenscontroles, die dan effectief zouden zijn tegen mensenhandel. Het gaat mij niet om een juridische discussie, maar juist om een beleidsdebat. Als je internationaal afspreekt dat je een vrij verkeer van personen hebt binnen de Schengenzone, kun je de mogelijkheid toestaan om dit bij uitzondering tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld als er voetbalsupporters over de grens komen. Hoe kijkt de heer Doornhof dan naar de verdragsrechtelijke status van zo'n verdrag, als je dat maar even zo opzijzet in een beleidsdebat?

De heer Doornhof (CDA):

Ik weet niet of ik de heer Hartog goed begrijp, maar wat ik in mijn betoog deed, is het belang van het herwaarderen van grenzen naar voren brengen. Misschien gaat het daar meteen over als het gaat over het wezenlijke verschil van opvatting hierover. Dat is nou net het punt. Je kunt zeggen dat we Europese buitengrenzen hebben. Daarover heb ik een vraag gesteld aan de regering. Maar als je ervoor zorgt dat binnengrenzen ook weer een herwaardering krijgen en de marechaussee daadwerkelijk controleert wat mensen in ons land, Nederland, komen doen en of ze hier überhaupt mogen zijn, draagt dat natuurlijk bij aan de veiligheid van ons land. Dat heb ik betoogd. Daar staat tegenover dat een vrij verkeer van mensen en goederen in Europa, in de EU, an sich van groot belang is. Misschien vindt de Voltfractie dat belangrijker. Alleen, je moet dat belang afwegen tegen het voordeel dat je onze nationale veiligheid vergroot. Misschien maakt de CDA-fractie die weging anders.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Hartog.

De heer Hartog (Volt):

Heel kort. Staat de CDA-fractie nog volledig en volmondig achter de Nederlandse deelname aan het Schengenverdrag?

De heer Doornhof (CDA):

Ja. We gaan het verdrag natuurlijk niet opzeggen. De heer Hartog bracht net de juridische discussie op over het verdrag, maar de marechaussee doet het op dit moment. Daar heb ik een vraag over gesteld. Mijn uitgangspositie is nu dat datgene wat de regering doet in overeenstemming is met het Schengenverdrag. Mocht dat niet zo zijn, dan moet je natuurlijk bekijken of het verdrag nog klopt bij de maatregelen die nodig zijn om onze nationale veiligheid te borgen. Dat is altijd de vraag. Daar zal ik straks nog wat over zeggen.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik ga even terug naar het begin van het betoog van de heer Doornhof, over de internationale criminaliteit die eigenlijk drugsgerelateerd is. Dat heb ik goed begrepen. Ik ben zelf advocaat. Ik woon om de hoek van waar de moord plaatsvond op Wiersum. Dus ik weet wat daar speelt. Maar er komt een heel betoog over en vervolgens gaat de heer Doornhof direct over op grensbewaking en vreemdelingenrecht. Wil de heer Doornhof nou beweren dat de drugsproblematiek internationaal is opgelost als die grenzen potdicht zouden zijn, of dat nou de binnengrenzen of de buitengrenzen zijn? Dat hoop ik toch niet. Het klonk wel alsof die illegaal binnenkomende vreemdelingen iets met die drugscriminaliteit en de internationale drugshandel te maken hebben. Dat is vraag één. Het tweede is: waarom kijkt het CDA niet een keer naar de werkelijke oorzaken van de drugscriminaliteit, namelijk dat drugs illegaal zijn? Waarom luistert het CDA niet naar de politie, mensen die zeggen: the war on drugs is lost? Wordt het niet eens tijd om daarover na te denken? Graag een reactie.

De heer Doornhof (CDA):

Ik moet dat wat kort zien te doen, voorzitter, begrijp ik als u me zo aankijkt. Laat ik het toch wat langer maken. Ik moet collega Nicolaï in de eerste plaats ermee complimenteren dat hij juist vandaag, wanneer we praten over de rechtsstaat, het boekje draagt dat we kregen bij 80 jaar vrijheid Staten-Generaal, met daarin onze grondrechten.

In de tweede plaats, om meer aan de vraag van de heer Nicolaï toe te komen: ik heb geprobeerd een onderscheid te maken in mijn betoog. Ik dacht dat ik dat ook behoorlijk had benadrukt, dus dat ik een soort nationale probleemstelling had gepresenteerd en de internationale dimensie van criminaliteit had benadrukt. Mijn brug was eigenlijk het voorbeeld van Overasselt, niet zozeer de moord op onze oud-collega, zeg ik even direct tegen collega Nicolaï. In dat licht moet ik zeggen dat ik nu heel veel bemoedigende dingen heb gezien in de begroting van Justitie en überhaupt in het coalitieakkoord, met name de investering in de politie. De politie verdient heel veel waardering — dat staat ook met zo veel woorden in het coalitieakkoord — maar heeft ook te maken met capaciteitstekorten. Als ik zie wat er nu voor 2027 al wordt uitgetrokken om de politie te versterken, denk ik: dat zijn volgens mij maatregelen die bijdragen aan het vergroten van de nationale veiligheid. Dat is het tweede punt.

Het derde punt gaat over de rol van drugs. Ik zeg tegen u: ik ben maar een eenvoudig bestuursrechtjurist. Ik hou me niet dagelijks bezig met de vraag welke rol drugscriminaliteit in ons land speelt. Ik weet nog wel — dat vind ik als antwoord misschien passend, maar ik weet niet of de heer Nicolaï daar genoegen mee neemt — dat oud-minister Grapperhaus ook vaak een beroep deed op gebruikers van drugs. Los van de vraag hoe het nou precies zit en wat de politie ervan vindt: hoe minder wij met z'n allen … Nou, wij met z'n allen? Ik geloof dat het aantal drugsgebruikers hier in de zaal nog wel meevalt, maar dat zeg ik even op de gok. Als wij in ons land minder drugs gebruiken, gaat de problematiek natuurlijk ook naar beneden, zowel qua criminaliteit als qua gezondheid. Dat is het antwoord waarmee ik in eerste termijn zou willen volstaan.

De heer Nicolaï (PvdD):

Nou, mijn vraag was de volgende, en daar gaf de heer Doornhof geen antwoord op. Denkt de heer Doornhof dat, wanneer het allemaal goed gesteld is met de grensbewaking, dan ook de drugsproblematiek en de drugscriminaliteit worden opgelost? Dat leek een beetje zo. De suggestie is een beetje dat het illegaal binnenkomen van vreemdelingen iets te maken zou hebben met de internationale drugscriminaliteit. Die suggestie begrijp ik niet.

De heer Doornhof (CDA):

Ik heb maar twintig minuten spreektijd; tenminste, daarvoor heb ik me ingeschreven. Ik had natuurlijk een hele lijst van dingen — ik heb net een voorbeeld genoemd — die het kabinet voornemens is te doen om criminaliteit in het algemeen te bestrijden, die kansrijk zijn, om het zo maar even te zeggen. Ik heb zelf de nadruk willen leggen, los van alle andere dingen die je moet doen, waaronder onszelf wat beheersen, zoals ik zei, op het verkleinen van de criminaliteit. Als je meer zicht hebt op wie Nederland binnenkomt, is dat een partje dat kan bijdragen aan het verkleinen van die criminaliteit. Zo moet u dat zien, zeg ik tegen collega Nicolaï.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Nicolaï.

De heer Nicolaï (PvdD):

Kan de heer Doornhof, als hij dat zegt, dan aantonen dat dat partje te maken heeft met datgene waarover hij begon, de internationale drugscriminaliteit, die in feite onze hele samenleving ondermijnt?

De heer Doornhof (CDA):

Ik had het ook over mensenhandel. Het gaat mij erom dat er altijd wat te weinig waardering wordt gegeven — misschien mag ik het zo zeggen — aan de Koninklijke Marechaussee, die met gerichte acties misdaad kan tegengaan en illegaal verblijf in Nederland kan tegengaan. Daarvoor was mijn betoog bedoeld, zonder te zeggen dat er niet heel veel meer dingen mogelijk en nodig zijn om internationale criminaliteit te verminderen.

De heer Janssen i (SP):

Het blijft toch een beetje hangen, nu de heer Doornhof het heeft over gerichte marechausseeacties. Begreep ik nou uit het eerste gedeelte van zijn betoog dat hij namens het CDA pleit voor een invoering van 100%-grenscontroles voor lucht, weg, spoor en water? Is dat wat de heer Doornhof hier namens het CDA vraagt?

De heer Doornhof (CDA):

Ja ... Dat vind ik wel lastig.

De heer Janssen (SP):

Ik stel die vraag aan de heer Doornhof omdat hij zegt dat die mobiele controles onvoldoende zicht …

De heer Doornhof (CDA):

Nee, ik heb een vraag gesteld aan de regering.

De heer Janssen (SP):

We moeten zicht hebben op wie er binnenkomt, want dat verbetert alles, zegt de heer Doornhof. Dan is mijn vraag: hoe doen we dat anders dan met grenscontroles van 100%? Anders blijft het bij het toezicht dat er nu is. Daarvoor was er ook geen controle van 100%. Is het CDA voor 100% grenscontroles in Nederland?

De heer Doornhof (CDA):

Als ik op verjaardagen sta, zeg ik altijd dat wij op basis van feiten debatteren in deze Kamer en goed naar elkaar luisteren. Ik krijg hier vragen in reactie op een vraag die ik heb gesteld aan de regering: deze maand zijn de mobiele grenscontroles begonnen; hoe effectief zijn die en hebben wij op deze manier voldoende zicht op mensen die binnenkomen? Dat is de vraag die ik heb gesteld. De woorden die nu naar voren worden gebracht, herken ik helemaal niet.

De heer Janssen (SP):

Tot slot. De heer Doornhof wekt met zijn toon richting de regering zelf de indruk dat hij zich afvraagt of wat we doen met die mobiele grenscontroles wel voldoende is. Daarom vraag ik of het CDA voor een volledige grenscontrole is. Dat is een afgeleide van de vraag die de heer Doornhof aan het kabinet stelt. Daarom vraag ik hoe hij op die vraag komt en wat zijn alternatief is.

De voorzitter:

Tot slot de heer Doornhof op dit punt.

De heer Doornhof (CDA):

Ik heb mijn verbazing over de vragen van collega Janssen wel laten blijken, geloof ik. Het antwoord is nee.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Doornhof (CDA):

Voorzitter. Onze oud-collega Peter Essers was hoogleraar belastingrecht aan Tilburg University. Tijdens zijn sabbatical is hij begonnen aan een onderzoek naar de geschiedenis van het Nederlandse belastingrecht in oorlogstijd. Het resultaat van zijn zoektocht is een dik boek met de titel Belast verleden. Het algemene beeld van de hoofdrolspelers van het Nederlandse belastingstelsel in de bezettingstijd is bepaald niet florissant te noemen. Uit de studie van Essers komt onmiskenbaar het belang van rechtsbeginselen naar voren: "De afschaffing van het gelijkheidsbeginsel in nazi-Duitsland heeft tot verschrikkelijke gevolgen geleid voor door nazi's als untermenschen beschouwde personen. Dit werd versterkt doordat het parlement en de rechterlijke macht volledig in dienst werden gesteld van het naziregime. De voor het functioneren van de rechtsstaat essentiële controle op de overheid door het parlement en de rechter viel daarmee weg, waardoor burgers werden beroofd van de meest elementaire rechtsbescherming."

Voorzitter. Ik maak de stap naar artikel 1 van onze Grondwet. Collega Dittrich had het hier ook al over: het recht op gelijke behandeling. Mijn fractie vindt dat er tussen deze bepaling en de werkelijkheid te veel verschil zit. In het eigen rapport van de Eerste Kamer, Gelijk recht doen, lezen we verhalen van mensen die discriminatie hebben ervaren. Uiteindelijk biedt dit rapport een uitgebreid afwegingskader om te voorkomen dat wetgeving discriminerend uitpakt. Het is belangrijk dat niet alleen wij als senaat, maar zeker ook de regering en de Tweede Kamer hier echt wat mee doen.

Dan een citaat van onze minister-president in dit huis drie weken geleden: "Wat is dat voor iets bizars dat een Nederlander zich moet verantwoorden voor het gedrag van een buitenlandse regering?" Gaat dit dan om de discussie over de proportionaliteit van de militaire acties van Israël na de verschrikkelijke 7 oktober 2023? Het is schrijnend dat die discussie gevolgen heeft voor een debat hier over de staat van de — ik benadruk — Nederlandse rechtsstaat. De minister-president had het mogelijk over wat er in de nacht van 7 op 8 november 2024 in Amsterdam is gebeurd na de wedstrijd tussen Ajax en Maccabi Tel Aviv. Groepen mannen maakten toen doelbewust jacht op mensen die zij voor Joods hielden. Volgens het Openbaar Ministerie speelden diverse chatgroepen een belangrijke rol in het organiseren en uitvoeren van de gewelddadigheden. Ik citeer: "De aanwezigheid van Israëlische supporters bood in de ogen van sommigen die geweld wilden plegen een kans wraak te nemen voor de situatie in Gaza." In het kader van de hoorzittingen ter voorbereiding op dit debat kregen we van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding mee dat Joodse Nederlanders oververtegenwoordigd zijn in de groep van slachtoffers van discriminatie. De nieuwe cijfers laten zien dat de politie in 2025 867 gevallen van antisemitisme registreerde. Joden maken minder dan 0,3% van de Nederlandse bevolking uit, maar antisemitisme vertegenwoordigt 26% van de door het OM geregistreerde discriminatiefeiten.

Al met al leven we in een land waar Joodse studenten op universiteiten worden geïntimideerd en bedreigd. Met een keppel de straat op of een mezoeza aan de deurpost is allerminst vanzelfsprekend. Ook online verspreiden antisemitische complottheorieën, bedreigingen en andere haatdragende uitingen zich in hoog tempo. Joodse kinderen groeien in Nederland op achter hoge hekken en beveiligingscamera's en met gewapende marechaussees voor hun school. Zelfs op schoolreisjes worden kinderen geconfronteerd met de Hitlergroet. In dit land kunnen kinderen dus niet onbezorgd naar school, enkel omdat ze Joods zijn. De parallel met het boek van oud-collega Essers is niet moeilijk te trekken.

Voorzitter. Jodenhaat zal door de samenleving zelf opgelost moeten worden: ouders bij de opvoeding van hun kinderen, Nederlandse burgers die zich uitspreken tegen antisemitisme. Dat neemt niet weg dat de overheid een grote verantwoordelijkheid heeft. Zij moet zorgen voor een toereikend wettelijk instrumentarium, effectieve opsporing en vervolging van strafbare feiten en voldoende middelen om Joodse instellingen te beveiligen. In dit verband juicht mijn fractie het toe dat het kabinet heeft voorzien in een veiligheidsfonds voor bescherming Joods leven. En dan zijn er de decentrale overheden, in het bijzonder burgemeesters. Zij staan dicht bij de samenleving en moeten ervoor zorgen dat Joodse inwoners zich ook daadwerkelijk veilig kunnen bewegen en zich ook veilig kunnen voelen in hun eigen gemeente. Dat vraagt om een doeltreffende inzet van de bevoegdheden op het terrein van openbare orde en veiligheid, waaronder het demonstratierecht, maar ook om zichtbaar bestuurlijk leiderschap wanneer antisemitisme de kop opsteekt.

Tot slot wijst mijn fractie ook graag op de rol van het onderwijs. Daarbij gaat het, ook in het kader van burgerschap, om het bijbrengen van respect voor anderen. Om de filosoof Verbrugge maar weer eens te citeren: "Als het aangeboden onderwijs ertoe leidt dat kinderen zich afwenden van de Nederlandse samenleving, dan vraagt dit om een correctie door de Inspectie van het Onderwijs." Binnen deze Kamer hebben we met name gesproken over de veiligheid op universiteiten en hogescholen toen de Taskforce Antisemitismebestrijding hier zijn rapport kwam toelichten. Ik heb toen ook de voorzitter, de heer Jaap Smit, de vraag voorgelegd of er, als het om demonstreren gaat, binnen universiteiten en hogescholen niet veel meer het besef moet bestaan dat het ook om een private omgeving gaat. Je zou dan het uitgangspunt kunnen hanteren dat Joodse studenten wat meer een veilige haven moet worden geboden. Dat zou wat anders zijn dan voor demonstranten de rode loper uitleggen. In zijn antwoord benadrukte de heer Smit dat deze vraag uiteindelijk aan universiteitsbestuurders is, maar hij zei wel: "Je kunt je de vraag hardop stellen of een campus de geëigende plek is om te demonstreren." Zou het kabinet wellicht kunnen reflecteren op zijn woorden? De CDA-fractie zou graag in het bijzonder horen hoe invulling wordt gegeven aan de in de Tweede Kamer aanvaarde motie-Teunissen over het faciliteren van onderwijsbestuurders in kennis over demonstratierecht.

Voorzitter.

De voorzitter:

Ik denk dat de heer Nicolaï over het vorige punt nog een vraag heeft.

De heer Doornhof (CDA):

Dit waren niet helemaal de laatste woorden, maar wel op dit punt.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik was al eerder naar de microfoon gelopen, maar toen ging de heer Doornhof door met ongeveer hetzelfde: Jodenhaat. Ik ben ontzettend blij met wat hij hierover naar voren brengt en dat hij zegt dat we moeten streven naar het uitbannen van antisemitisme en Jodenhaat. Ik heb zelf twee Joodse dochters, dus die hebben er alle belang bij. Daarvoor zei de heer Doornhof echter nog iets anders. Hij zei: het is toch een beetje raar dat onze minister-president zich zou moeten verantwoorden voor disproportioneel optreden van Israël? Dat dat in het kader van de rechtsstaat in Nederland allemaal aan de orde zou zijn gesteld, vond hij raar. Maar in onze Grondwet staat toch, in artikel 90, dat wij de internationale rechtsorde moeten bevorderen? Als de internationale rechtsorde geschonden wordt, dan mag je op grond van de Grondwet de regering om een reactie vragen. Hoe kijkt de heer Doornhof daartegenaan?

De heer Doornhof (CDA):

Collega Nicolaï en ik begrijpen elkaar in dit debat steeds niet helemaal goed. Het punt is nou juist dat ik de minister-president heb geciteerd daar waar hij op de plek waar u nu staat, zei: wat is het voor iets raars dat Joodse Nederlanders geconfronteerd worden met uitlatingen van mensen over het functioneren van de staat Israël? Dat heeft de minister-president hier gezegd. Dat ben ik, dat is mijn fractie, dat is het CDA volledig met de minister-president eens.

De heer Nicolaï (PvdD):

Oké, dan had ik het verkeerd begrepen. Ik dacht dat de heer Doornhof zei dat in het kader van de Nederlandse rechtsstaat vragen over al dan niet disproportioneel optreden van Israël niet aan de orde konden komen. Dank u wel.

De heer Doornhof (CDA):

Voorzitter. Ik kom bij de rechterlijke macht. De president van de rechtbank Amsterdam, de heer Bart van Meegen, liet er tijdens de deskundigenbijeenkomst geen misverstand over bestaan dat de rechtspraak zich grote zorgen maakt over de uitholling van de rechtsstaat, onder meer door harde kritiek op rechterlijke uitspraken. Naar de mening van de CDA-fractie verdient de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht echt bescherming. Dat betekent overigens niet, maar dat was ook niet de bedoeling van de president, dat rechterlijke uitspraken boven kritiek verheven zijn. Als de uitkomst van een rechterlijke uitspraak maatschappelijk onbevredigend wordt gevonden, is het uiteindelijk aan de democratisch gelegitimeerde wetgever om te bezien of de wet aanpassing behoeft. Als het probleem zijn oorsprong vindt in internationale verdragen, zeg ik ook even tegen collega Hartog, of de uitleg daarvan, dan moet het ook bespreekbaar zijn je tot die verdragen anders te gaan verhouden. Zo wierp onze oud-fractievoorzitter Ben Knapen tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 2022 de vraag op of het Vluchtelingenverdrag ons niet te veel in de weg zit, "simpelweg omdat de context zo cruciaal gewijzigd is in relatie tot 50 jaar geleden". Ons christendemocratisch uitgangspunt van publieke gerechtigheid brengt ook mee dat rechtsregels er uiteindelijk zijn om recht te doen aan mensen en de samenleving en niet om zichzelf in stand te houden. Zie in dit verband ook de verklaring van de lidstaten van de Raad van Europa van 15 mei dit jaar over de toepassing van het EVRM in het licht van het migratievraagstuk, al heeft de regering tegelijkertijd laten weten dat een daadwerkelijke aanpassing van het EVRM of de totstandkoming van een aanvullend protocol niet wordt beoogd. Maar er ligt ook een verantwoordelijkheid bij de rechtspraak zelf. Die moet niet alleen onafhankelijk en onpartijdig zijn, maar ook voldoende voeling houden met de samenleving waarvoor zij rechtspreekt.

Mijn fractie vond het in dit verband interessant dat dezelfde rechtbankpresident Van Meegen, samen met de Amsterdamse hoofdofficier van justitie en de Amsterdamse deken van de orde van advocaten, een opiniestuk in De Telegraaf schreef. Kort daarvoor waren de persoonsgegevens van een Amsterdamse rechter en zijn partner op social media verspreid. De rechter had geoordeeld dat drie omstreden islamitische predikers niet op de aangevoerde gronden de toegang tot Nederland kon worden geweigerd. In dat opiniestuk wordt enerzijds terecht gesteld dat het vertrouwen in de instituties wordt geschaad. Anderzijds wordt naar voren gebracht dat de Amsterdamse togadragers op hun beurt in gesprek willen met de burgers van de stad, en dan in het bijzonder jongeren. Ik citeer: "Wij willen met name jongeren betrekken bij dat gesprek en willen daarom een jongerenraad oprichten, (…) ook om te horen waaraan jonge mensen behoefte hebben als het om recht en rechtvaardigheid, zekerheid en vrijheid gaat." Los van de aankondiging van dit initiatief geldt dat de rechtspraak bij de selectie van rechters sinds enige jaren mensen van buiten de rechterlijke macht betrekt.

Voorzitter. Mijn fractie vraagt de regering hoe zij deze initiatieven beoordeelt, uiteraard met volledige eerbiediging van de rechterlijke onafhankelijkheid. Uiteindelijk gaat het erom dat de rechtspraak voldoende voeling blijft houden met de samenleving en ook in haar samenstelling recht doet aan de pluriformiteit daarvan.

Voorzitter. Ik kom bij het laatste onderwerp en dat is onze eigen rol. Collega Veldhoen citeerde al uit het staatscommissierapport. Politici en bestuurders zijn de blikvangers van de rechtstaat, van wie rechtsstatelijk leiderschap — daar ging ook het betoog van collega Veldhoen over — verwacht mag worden. Er vond net ook een heel interessant debat plaats; Van Rooijen deed daaraan mee, Veldhoen, Dittrich en Nicolaï. Dat ging over de vraag: hoe kunnen wij nou hier zo veel mogelijk voorkomen dat we onrechtmatige wetgeving aannemen? Er zijn voorbeelden genoemd, door collega Veldhoen en door mij, van processen, wetgevingstrajecten waarin je ziet dat het toch niet helemaal goed gaat en wij ook in onze rol tekortschieten. De motie die ik met collega Schalk heb voorbereid, ziet erop dat we zouden moeten kijken naar de instelling van een tijdelijke commissie, waarvoor ik steun vraag, om te bekijken welke maatregelen er zijn te nemen om onze juridische functie te vergroten. Is het misschien slim als ik de motie voorlees en daarmee afsluit, mevrouw de voorzitter?

De voorzitter:

Nee. Dat kunt u in de tweede termijn doen. Dat is ook gebruikelijk. Om een motie te kunnen indienen in de eerste termijn, moet de Kamer verlof geven. Ik denk niet dat het nodig is.

De heer Doornhof (CDA):

Dan doe ik dat gewoon in de tweede termijn. Dank voor uw toelichting. Ik ben er klaar mee.

De voorzitter:

Dat klonk wat serieuzer, maar dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Walenkamp van de Fractie-Walenkamp.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Walenkamp i (Fractie-Walenkamp):

Voorzitter, dank voor het woord. "We hebben allen recht op schoonheid." Dat zei Rudi Fuchs, onze inspirerende kunsthistoricus, die afgelopen zondag overleed. "Een heleboel mensen lezen de uitlegbordjes bij een kunstwerk, nemen dat voetstoots aan en stoppen met denken. Dit leidt tot een tunnelvisie. Daarom zou ik zeggen: kijk verder en kijk breder." Tot zover alle waardering voor Rudi Fuchs.

Voorzitter. Vandaag staat het debat rond de rechtsstaat in Nederland centraal. Dat debat hebben we een paar keer gevoerd. Dat doen we nog niet zo lang. De kernvraag voor mij is: hoe recht staat onze rechtsstaat nog? We hebben daarover toch wel wat zorgen. Een essentieel kenmerk van de rechtsstaat is het herkennen, onderzoeken en herstellen van fouten. Ik hoop daar met deze inbreng een bijdrage aan te leveren. Ik heb tien punten voorbereid. Het is hoog tijd om met deze tien targets de bus paraat te zetten. Ik kijk via u naar de minister.

Het eerste punt ruimt snel op. De zorgen over het antisemitisme, die de collega van het CDA scherp heeft verwoord, deel ik namelijk volkomen.

Dan punt twee, de toeslagenaffaire. Dat is een zwarte bladzijde uit de geschiedenis van onze rechtsstaat. Dat is al een paar keer aangestipt, onder anderen door collega Veldhoen. De Raad voor de rechtspraak en de Raad van State hebben de afgelopen jaren kritische rapporten uitgebracht over hun eigen functioneren. Er is onvoldoende rechtsbescherming geboden. Ik heb het in vier rapporten gelezen. De kern van het verhaal is in mijn eigen woorden het volgende. Rechters hebben toch te slaafs gevolgd wat de overheid en de Belastingdienst hebben gezegd. Dat is echt wel een probleem. Ze hebben de overheid blijkbaar niet voldoende aangesproken toen zij structureel regels overtrad en structureel rechten van burgers schond. Dit probleem is veel breder en nooit opgelost. Een cultuurverandering in de rechtspraak is nodig wil Nederland een werkelijk gezonde rechtsstaat zijn en worden. Daar is nog wel wat werk aan de winkel. Ziet het kabinet dit ook zo? Zo nee, hoe dan wel? We zijn benieuwd voor welke baan of track de minister of het kabinet kiest. Wat gaat de minister hieraan doen?

Punt drie. Het bestuursrecht is de afgelopen 25 jaar steeds meer als vervanging van het strafrecht gebruikt om straffen op te leggen. Ik denk aan punitief bestuursrecht, de wet-Mulder en de BBo. Ik kan diverse wetten noemen. De procespositie van de burger is in het bestuursrecht echter veel zwakker. Rechtsstatelijk is dit een groot probleem. Het risico van onterechte bestraffing ligt dan op de loer. Ik verwijs ook weer naar de toeslagenaffaire, zoals net vermeld. Het probleem is echter veel breder. Ziet het kabinet dit ook zo? Is het kabinet bereid om hier serieus aandacht aan te besteden, om ervoor te zorgen dat in ieder geval de rechten van de burger worden gewaarborgd? Ik vraag dit in ieder geval voor wat betreft de artikelen 338 en 339 uit het Wetboek van Strafvordering, waaruit blijkt dat de bewijslast heel zwaar is in het strafrecht en veel lichter is in het bestuursrecht.

Punt vier, de jeugdzorg. 1 op de 6 minderjarigen in Nederland wordt gecontroleerd door jeugdzorg of is in beeld bij de Staat. Is dat positief? Ik denk niet het niet. Dit was in de jaren negentig, geloof ik, 1 op de 40. Diverse jongeren in de jeugdzorg zitten in een vorm die ik in mijn eigen woorden gewoon "cel" zou noemen, hoewel ze het zelf in hun rapporten gesloten of justitiële locaties noemen. Dan kom ik in ieder geval in 2025 tot 569 unieke jongeren. 569 jongeren in Nederland die geen strafbaar feit hebben begaan, zaten dus in een vorm van een justitiële gesloten inrichting. Mijn fractie maakt zich daar grote zorgen over. Mijn vraag is dus of het kabinet deze zorgen deelt. Ik zou bijna zeggen "big brother is watching you", en dit meen ik niet positief. Controledwang en controlezucht schieten door. Dit raakt de rechtsstaat fundamenteel. Dit zijn jongeren die niet iets strafbaars gedaan hebben. 569 in 2025! Ik meen wel dat dat in 2026 wat minder was. Dat was iets tussen 350 en 400, maar die cijfers heb ik niet geheel kunnen controleren. Ik maak me daar grote zorgen over. Minderjarigen die geen strafbaar feit gepleegd hebben, jongeren zonder strafblad, zitten in de cel. Dit lijkt mij wederrechtelijke vrijheidsbeneming door de Staat, waar we echt serieus werk van moeten maken. Ik heb vijf advocaten gesproken die zeggen dat vorderingen simpelweg worden afgewezen met — ik citeer letterlijk — "de minister handelt onrechtmatig, maar bedoelt het wel goed". Ik hoop echt dat het kabinet hier werk van gaat maken.

Punt vijf. Rechtstoepassing is nu te technocratisch. Een cultuuromslag is hard nodig. Wetten moeten niet te technocratisch worden uitgewerkt en zeker niet uitgelegd. Het zal u niet verbazen dat ik met mijn christelijke achtergrond groot liefhebber van natuurrecht ben, in plaats van alles positiefrechtelijk gedetailleerd te willen vastleggen.

Een concreet voorbeeld: de wolf. Het Verdrag van Bern uit 1979 is getekend door bijna alle landen in Europa. Er waren toen drie landen in Europa die wolven hadden, en dan bedoel ik niet in de dierentuin. Dat waren Spanje, Polen en Letland. Die vroegen om een opt-out en kregen die dus ook. Nederland had al 130 jaar geen wolven, geen inheemse diersoorten meer, dus geen overlast en heeft dus geen opt-out gevraagd. Organisaties die daar de afgelopen jaren wel om vroegen, kregen die niet. Nou heb ik wel de indruk dat dit kabinet daar wat mee wil, maar wat ons betreft zouden boeren en zeker plattelanders die overlast hebben door wolven veel eerder moeten kunnen optreden. En dat moet niet alleen maar met lichtsignalen en paintballs. Ze moeten die wolven ook zelf kunnen neerschieten. Als een wolf een overlastgevend dier of ongedierte is en als er heel wat schapen, paarden, geiten en ook mensen in de gevarenzone zitten, dan moet je mensen, herders, boeren gewoon mogelijkheden bieden tegen die invasieve diersoorten die een groot gevaar vormen voor onze bevolking en onze dieren. Wij hopen dus dat het kabinet wil toezeggen dat er meer mogelijkheden komen om ook dat soort probleemwolven sneller te kunnen aanpakken. Wat mij betreft moeten we hun ook gewoon de gelegenheid bieden om die neer te schieten. Toezicht op de noodzaak van maatregelen om in te grijpen schiet structureel tekort, met grote gevolgen voor betrokkenen. Andermaal lijkt een cultuuromslag noodzakelijk.

Zes. Ik heb hier eerder aandacht gevraagd voor tbs op de zes eilanden. Er zijn zes eilanden in de Cariben: de BES- en de CAS-eilanden. Die hebben het moeilijk. Die zijn minder rijk en hebben meer problemen. Ik heb daar vragen over gesteld. Ik geloof dat de staatssecretaris daar in oktober op geantwoord heeft. Ik moet toch wel zeggen dat ik daar vervolgvragen over heb. Heel kort gezegd betreft dat het volgende. Op de grotere eilanden, onder andere Curaçao, wordt tbs zo goed als niet uitgevoerd, want ze hebben daar geen goede voorziening. Op de kleinere eilanden is het Antilliaanse wetboek nog niet aangepast, dus wordt het eigenlijk — "eigenlijk" is juridisch niet zo'n sterk woord — nauwelijks of niet voldoende opgelegd, terwijl deskundigen zeggen: het zou toch wel nodig zijn.

Laten we heel eerlijk zeggen, en ik ga nu ondiplomatieke woorden gebruiken: er zijn daar heel wat mannen die zich macho gedragen en heel wat problemen veroorzaken, ook drugsgerelateerd. Heel wat vrouwen en heel wat jongeren voelen zich dus onveilig. Daarom is het wat ons betreft van groot belang dat het Nederlandse Koninkrijk, de ministerraad, volgens artikel 43 en 39 van het Statuut voor het Koninkrijk de lead neemt om er heel gericht werk van te maken dat dat Antilliaanse wetboek wordt aangepast. Dat is één. Ten tweede moet er een goede tbs-instelling komen op de eilanden, niet alleen voor die zorg voor de patiënt zelf — die heeft daar recht op; dat is een mensenrecht — maar ook voor de veiligheid van de gewone bevolking daar.

De heer Hartog i (Volt):

Ik zou de heer Walenkamp op dat punt willen vragen of hij wel een onderscheid maakt tussen de eilanden die onderdeel zijn van Nederland en de andere eilanden die onderdeel zijn van het Koninkrijk der Nederlanden. Waar ziet hij die bevoegdheidsafbakening? Want voor het Koninkrijk doen we alleen Buitenlandse Zaken en Defensie. Voor de rest hebben we gekozen vertegenwoordigers op Curaçao, die zelf moeten kunnen bepalen wat hun wetten zijn. Hoe ziet de heer Walenkamp zijn rol als lid van de Eerste Kamer, die over Bonaire, Sint-Eustatius en Saba gaat en niet over Curaçao en Aruba? Waarom doet hij een oproep over Curaçao, dat ons eigenlijk niet aangaat?

De heer Walenkamp (Fractie-Walenkamp):

Hartelijk dank voor de vraag. Ik heb ook bewust een onderscheid gemaakt tussen de rechtsstelsels van de BES-eilanden en de CAS-eilanden enerzijds en dan ons land. Er zijn in feite vier autonome landen binnen ons Koninkrijk. De heer Hartog van Volt wijst daar terecht op. We hebben dus primair een directe relatie met de eilanden die, even heel kort gezegd, kleiner zijn en die onze hulp heel hard nodig hebben. Die hebben dus nu nog niet of nauwelijks de mogelijkheid conform dat verouderde Antilliaanse wetboek. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in een aantal gevallen — het arrest-Murray kan ik me herinneren en ik kan nog een paar andere gevallen voor de geest halen — gezegd dat de Nederlandse overheid, het Koninkrijk, en dan kijk ik toch naar de ministerraad die hier aanwezig is, een duidelijke, coördinerende, kaderstellende rol heeft om ervoor te zorgen dat het Antilliaanse wetboek tijdig wordt geüpdatet en aangepast, zodat er zo min mogelijk verschillen zijn in rechtsbehandeling van mensen die binnen ons Koninkrijk aanwezig zijn. Dat is één.

Twee. Het andere rechtsstelsel betreft Curaçao. Dat is inderdaad een ander land, maar daar is onvoldoende capaciteit voor tbs-patiënten. De instelling is daar gesloten. Mensen krijgen daar wel tbs opgelegd, maar die maatregel wordt niet of nauwelijks toegepast. Dat is een groot probleem, want daardoor worden mensen soms levenslang vastgezet. Dat vind ik allereerst een schending van de mensenrechten. Ik kan drie gevallen noemen; namen noemen lijkt me niet zo fatsoenlijk, maar ik ken er drie. Daarnaast is er een groot probleem voor de omgeving. Je zult maar zo'n meneer — sorry, het zijn vooral mannen — terug zien komen of je zult maar met zo iemand getrouwd zijn. Dat is echt een gevaar voor de samenleving. Ik denk dat wij als Eerste Kamer dan aan zet zijn om de veiligheid van de samenleving heel serieus te nemen. Dank voor de vraag.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Walenkamp (Fractie-Walenkamp):

De zes eilanden in de Cariben liggen ons na aan het hart. Ze hebben ons hard nodig en ze kunnen het minder gemakkelijk zelf. Ik voel mij als Kamerlid rechtmatig verplicht om daar aandacht aan te besteden. Ziet dit kabinet ook die rechtsongelijkheid, die rechtsonzekerheid? Ik wil dan niet horen — sorry, dat ik zo onaardig ben — wat ik eerder gehoord heb: het is hun eigen verantwoordelijkheid. De woorden "eigen verantwoordelijkheid" passen niet bij het Statuut voor het Koninkrijk, zeker niet bij de artikelen 39 en 43 van het Statuut. Is het kabinet dat met mij eens? Op welke termijn kunnen wij actie verwachten?

Het zevende punt betreft de rekenkamer. Dan bedoel ik niet zozeer de Algemene Rekenkamer, maar de rekenkamers op lokaal, provinciaal en waterschapsniveau. De taak van de Rekenkamer is vastgelegd in artikel 76 van de Grondwet en de Comptabiliteitswet 2016. De taken van de lokale rekenkamers, die van de provincies en waterschappen, zijn recenter vastgelegd. Er zijn een aantal specifieke taken waarvoor een rekenkamer op lokaal, provinciaal en waterschapsniveau nodig is, en op die taken wordt beknibbeld. Dat gebeurt in ieder geval in Utrecht, Zaanstad, Pijnacker-Nootdorp en Den Haag. Op andere gemeentelijke begrotingen heb ik ook gezien dat bezuinigingen zijn aangekondigd. Ik vind dat echt een groot probleem. Concreet: in Utrecht heeft de rekenkamer in mei een stevig rapport uitgebracht waarin staat dat er vijf of zes dingen echt fundamenteel misgaan. In april 2026 heeft de rekenkamer van Den Haag aangekondigd te kampen met te weinig capaciteit en structurele onderbezetting, en nog drie andere punten genoemd. Het is dus een groot probleem dat er wordt bezuinigd op de lokale tegenmacht, de lokale onderzoeksmogelijkheden die wettelijk zijn vastgelegd.

Het is volgens mijn fractie van essentieel belang, ook voor onze rechtsstaat, dat een rekenkamer op lokaal niveau genoeg budget, genoeg mensen en genoeg deskundigheid heeft om zijn werk te doen. Daar maken wij ons grote zorgen over. Wij hopen dan ook dat dit kabinet deze problemen erkent en ze niet afschuift op de provincie als direct toezichthouder en ook niet op de minister van BZK, die de directe portefeuillehouder is. We spreken hier met de minister van Justitie en Veiligheid, die namens het gehele kabinet aanwezig is. Ik hoop dan ook van harte dat de minister en de staatssecretaris hier toezeggingen willen doen, dit probleem serieus nemen en hun toezichthoudende en kaderstellende rol serieus nemen. Dat is wettelijk uw taak. Mijn conclusie moet dus zijn: burgers, bedrijven en media — we hebben het gisteren over lokale media gehad — hebben recht op een gezonde, goed functionerende rekenkamer. Welke concrete toezegging gaat dit kabinet hier doen?

Punt acht. In coronatijd hebben de vorige kabinetten zeer vergaande beperkende maatregelen opgelegd aan onze inwoners. Het is niet ondenkbeeldig dat ons land dit weer zou kunnen meemaken in onze onzekere, gevaarlijke tijden; denk niet alleen aan oorlog, maar ook aan ziektes, bijvoorbeeld in Afrika. Begin dit jaar heeft het huidige kabinet alle budgetten geschrapt voor deze paraatheid, voor alle voorbereidingshandelingen voor een crisishandboek. Daarvan heeft onder andere de OVV, de Onderzoeksraad voor Veiligheid, gezegd dat dat zeer onverstandig is. Laat het even bezinken. We hebben een groot probleem gehad in coronatijd. Ik ga niet achteraf zeggen wat er allemaal fout ging. Ik hoop dat we nu kijken hoe we voorkomen dat we niet paraat zijn als we weer zoiets krijgen en hoe we zorgen dat we een beter crisishandboek hebben voorgelegd en dat we de rechten van burgers, zoals van gelovigen die naar de kerk willen, beter waarborgen. Met andere woorden: ik vraag aan het kabinet, via u, mevrouw de voorzitter, toezeggingen om dit serieus te nemen en waarborgen te hanteren voor burgers, kerkgangers en media.

Negen: laten wij waken over de vrijheid van spreken, met dank aan Pim Fortuyn. Er dreigt in onze samenleving een soort newspeak te ontstaan, waar George Orwell eerder aan refereerde. Er is een sfeer in ons land waarin mensen hun geloof alsmede hun kritiek op zeer vrijzinnige liberale opvattingen in onze samenleving niet meer lijken te mogen en te durven uiten. Dan doel ik niet op de positieve polarisatie, waar we het eerder vandaag over hadden rond polemiek. Is dit kabinet bereid dat serieus te nemen en zich daarvoor in te zetten?

Tien. Tot slot heb ik een rechtsfilosofische vraag: is Nederland wel een gezonde rechtsstaat en niet eerder een prerogatieve staat, zoals gedefinieerd in Der Doppelstaat of Urdoppelstaat van Ernst Fraenkel? Hij schreef over wat er in de jaren dertig misging in Duitsland in rechten van burgers. Daar werd eerder aan gerefereerd. Er is echt een probleem. Laten we absoluut voorkomen dat het in onze samenleving zover komt. Laten we onze democratie en volwaardige rechtsstaat beschermen.

Wij zijn benieuwd — minister, u bent een expert in bearing, in peiling — welke target motion analysis u gaat inzetten op deze tien doelen. Waar peilt u onze vijanden, onze oplossingen? Wij zijn benieuwd naar uw concrete oplossing, the solution, uw definitieve vuurleidingsberekening, uw inzet.

Voorzitter. Er is werk aan de winkel, alle hens aan dek. We hebben een marineofficier, een goede onderzeebootcommandant waardig, nodig om de problemen op te lossen. Succes ermee.

Dank voor uw aandacht.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik tot slot voor de lunchpauze mevrouw Van Bijsterveld het woord. Zij spreekt namens JA21.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Voordat ik mijn betoog begin, wil ik mij graag eerst aansluiten bij de woorden van collega Doornhof over het groeiende antisemitisme in Nederland. Ik onderschrijf volledig zijn analyse daarvan en vond het belangrijk om dat hier ook te melden.

Voorzitter. Een debat over de staat van de rechtsstaat: dat klinkt zo gewichtig als het is. Alleen wordt de term "rechtsstaat" vaker ingezet als een banvloek tegen de kiezer die te veel praatjes heeft, dan dat er echt serieus over wordt gesproken. Indien een ruime meerderheid van Nederland kenbaar maakt, X of Y te willen, leidt dat niet zelden tot een koor van opiniemakers en politici dat dergelijke democratische uitwassen bezweert met de kreet: ja, maar de rechtsstaat! Als retorisch instrument is de term "rechtsstaat" inmiddels veel beter bekend dan als de staatsrechtelijke vaste burcht die het dient te zijn.

Een rechtsstaat is een soevereine staat die door het recht wordt beheerst. In Nederland en in veel westerse landen komt daar een zeker evenwicht tussen de verschillende aspecten van staatsmacht bij: een evenwicht of concurrentiestrijd tussen de wetgevende, de rechtsprekende en de uitvoerende macht. Een overmacht van de een wordt begrensd door de andere machten. Tegelijkertijd is geen van die machten bereid de ander zomaar alle ruimte te geven.

In het debat over de rechtsstaat krijgt vooral de begrenzing van de politiek de aandacht, en die begrenzing is niet onwenselijk. Een meerderheid kan grondrechten schenden en een regering kan haar bevoegdheden misbruiken, maar dat weten we nu wel. Eindeloos wordt er gewaarschuwd voor de potentiële gevaren van die gevreesde democratische meerderheid. Maar laten we het ook eens hebben over de keerzijde van dit extreem dominante narratief, want democratische besluitvorming heeft ook bescherming nodig.

Burgers moeten via verkiezingen wezenlijk invloed kunnen uitoefenen op de zo-even genoemde soevereine staat. Als verkiezingen steeds minder lijken uit te maken, ook dan is de rechtsstaat in gevaar. Het schrijnende en kennelijk in steen gebeitelde gebrek aan beleidsruimte — we zien het in Nederland in het afgelopen decennium op allerlei terreinen — ondermijnt de legitimiteit van de rechtsstaat, althans in de ogen van een groeiend contingent kiezers. Een assertieve wetgever is daarom een voorwaarde voor een gezonde rechtsstaat.

Voorzitter. Die assertiviteit begint ook bij het functioneren van de wetgevende macht zelf. Aangezien regering en parlement samen moeten werken om tot wetten te komen, is het toch verstandig dat de regering steun organiseert om te voorkomen dat haar voorstellen gaan stranden. Een minderheidskabinet kan in de praktijk goed functioneren, maar het parlement moet dan ook meer invloed worden gegeven. Dan moet het kabinet echter bereid zijn om daadwerkelijk te onderhandelen. Mijn fractie ziet te veel politieke onzekerheid en te weinig bestendige richting. Begin oktober gingen aangekondigde bezuinigingen op de sociale zekerheid van tafel onder druk van links. Het kabinet kondigde tevens een novelle aan om de voorgestelde belastingheffing in box 3 te veranderen. Overleg kan inderdaad tot verbetering leiden, maar wanneer belangrijke voornemens steeds moeten worden herzien, rijst ook de vraag hoe zorgvuldig vooraf draagvlak en uitvoerbaarheid zijn onderzocht, niet in de laatste plaats ook binnen de eigen coalitie.

Nu zijn een instabiele regering of een rommelig parlement geen schending van de rechtsstaat, maar ze stutten haar ook zeker niet en het functioneren ervan wordt ook niet bepaald bevorderd. Dat klinkt abstract en misschien zelfs afstandelijk, maar laat ik dat misverstand dan direct wegnemen. Amateurisme, gezwalk en het uitbesteden van belangrijke politieke beslissingen aan bijvoorbeeld de rechterlijke macht, raken burgers in het echte leven. Burgers en ondernemers moeten weten waar zij aan toe zijn. Zij kunnen hun bestaan moeilijk inrichten op almaar veranderde of weg gevonniste wetgeving of, nog erger, een standpunt waar geen meerderheid ooit voor heeft gestemd.

Mevrouw Veldhoen i (PRO):

Ik sla even aan op de opmerking van collega Bijsterveld …

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Van Bijsterveld.

Mevrouw Veldhoen (PRO):

Van Bijsterveld, excuus. De opmerking dat belangrijke politieke beslissingen worden overgelaten aan de rechter. Ik heb daar ook iets over gezegd, namelijk dat de rechter gewoon de wet toepast of Europees recht. Dus welke voorbeelden heeft mevrouw Van Bijsterveld waarin de rechter eigenhandig politieke beslissingen neemt?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Het is natuurlijk een discussie die we met elkaar moeten voeren. Tot waar reikt de beleidsruimte? Hoe maak je goede wetgeving, hoe interpreteert de rechter die wetgeving en wat betekent dat voor de uitvoering van de wetten die we met elkaar hebben bedoeld, maar die door de interpretatie van rechters kan worden belemmerd? Dat is een discussie die we met elkaar moeten voeren: waar stopt en eindigt de beleidsruimte en waar begint in de uitvoering de belemmering, ook vanwege uitspraken door de rechterlijke macht? En nogmaals, ik ben advocaat. Ik snap heel goed hoe de scheiding der machten werkt, maar ik vind wel dat we daar met elkaar kritisch naar mogen kijken. Als we dit debat, dat we vandaag ook hebben, alleen maar voeren in de zin van dat je op geen enkele manier de rechterlijke macht mag bekritiseren, dan vind ik dat niet correct.

Mevrouw Veldhoen (PRO):

Dat is geen antwoord op mijn vraag. Mijn vraag was: welke uitspraken kan mevrouw Van Bijsterveld aanhalen waarbij de rechter volgens haar eigenhandig politieke beslissingen heeft genomen?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Sorry, ik was even afgeleid, voorzitter, dus ik weet niet …

De voorzitter:

U heeft het woord, mevrouw Van Bijsterveld.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Dank u wel. Kijk, ik kan een voorbeeld geven. Het laatste voorbeeld staat in mijn bijdrage, dus dat zal ik dan dadelijk overslaan. We hebben een EU-Migratiepact, maar de rechter in Den Haag heeft besloten dat de Russische asielzoeker die asiel heeft aangevraagd niet mag worden teruggestuurd naar Italië. Daar kwam veel ophef over. Je kunt er van alles van vinden, maar het is natuurlijk heel bijzonder, want dat pact is nou juist bedoeld om mensen terug te kunnen sturen. De rechter zegt dan dat een en ander niet voldoet aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er wordt tegen in beroep gegaan. We gaan zien wat de uitkomsten zijn. Het gevoel is wel dat een rechter heel erg op de stoel gaat zitten van de wetgever — het is ook nog eens Europese wetgeving — die uiteindelijk de asielinstroom wil beperken, daar beleid op wil maken en dat ook tot uitvoering wil brengen. Dan lukt dat eigenlijk niet door deze uitspraak van de rechter in Den Haag. Dat is best heel ingewikkeld.

Mevrouw Veldhoen (PRO):

Ik moet zeggen: hier gebeurt precies waar ik in mijn bijdrage voor waarschuwde, met betrekking tot rechtsstatelijk leiderschap. Wij worden allemaal opgeroepen om dat te tonen, ook door de Staatscommissie rechtsstaat. Hier wordt dat niet getoond, omdat hier de indruk wordt gewekt dat de rechter eigenlijk eigenstandig een keuze maakt die politieke gevolgen heeft, terwijl het enige wat de rechter doet, het toepassen van de wet of een verdrag is. Ik neem aan dat mevrouw Van Bijsterveld dat als jurist ook heel goed weet, dus ik ben er wel verbaasd over dat zij zegt dat er een "gevoel" is dat de rechter eigenstandige keuzes maakt. Ik zou toch wel de oproep willen doen om zuiverheid te betrachten en ook hier rechtsstatelijk leiderschap te tonen. De rechter past de wet toe. De rechter past een verdrag toe. Dat heeft een uitkomst die mevrouw Van Bijsterveld misschien onwelgevallig is. Dan is de volgende stap om in hoger beroep te gaan tegen die uitspraak. Maar ik vind wel dat we ervoor moeten waken dat we dit soort kwalificaties ophangen aan de uitspraken van een rechter, want dit ondermijnt de positie van de rechter en daarmee ook van de rechtsstaat.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ik hoorde geen vraag.

De heer Dittrich i (D66):

Ik sla aan op iets anders, namelijk de zuiverheid van wetgeving. Zou mevrouw Van Bijsterveld kunnen toelichten waarom JA21 over de Spreidingswet zegt dat we een deel van de wet die door het parlement is aangenomen, namelijk het dwangelement, maar niet moeten toepassen? Dat is toch ook een zekere ondergraving van de rechtsstaat?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

We hebben hier vandaag een debat over de rechtsstaat. Ik word nu bevraagd op iets wat op dit moment politiek actueel is. Dat mag uiteraard, maar volgens mij zijn we hier niet een debat over de Spreidingswet aan het voeren. Maar laat ik daar even heel kort op reageren. Waarom is het niet rechtsstatelijk als je, nogmaals, aangeeft dat je tegen bepaalde wetgeving bent? Die is aangenomen — dat snap ik — maar dan kan je er toch nog steeds iets van vinden? Dan kan je toch ook vinden dat het eigenlijk in strijd is met het democratische beslissingsgehalte van de gemeente zelf en dat het dwangelement er dus uit moet? We kunnen hier een heel debat voeren over de Spreidingswet, maar bij die Spreidingswet is ons allen ook beloofd dat de instroom zou worden beperkt. Dat is ook niet gebeurd. Er zitten dus allerlei doelstellingen achter deze wetgeving waarop niet geleverd wordt. Ondertussen is het eigenlijk één grote — hoe moet ik het zeggen? — chaos aan het worden in Nederland op dit punt. Het is dus juist heel goed dat het dwangelement eruit gaat, omdat de gemeentes uiteindelijk zelf democratisch beslissen wat ze wel of niet aankunnen en in welke gemeenschappen ze dat wel of niet willen plaatsen. Nu wordt het ze door de strot geduwd.

De heer Dittrich (D66):

Ik begrijp heel goed dat we nu geen inhoudelijk debat over de Spreidingswet moeten voeren. Dat zal ik ook niet doen. Het gaat mij meer om het punt dat als een wetsvoorstel democratisch wet is geworden en we dat met z'n allen goedgekeurd hebben, ook al kan je er zelf misschien op tegen zijn, het dan wel heel verwarrend wordt, ook voor burgers in Nederland, als politieke partijen dan gaan zeggen: een deel van de wet moeten jullie gewoon niet uitvoeren. Daardoor ontstaat onzekerheid. Ik denk niet dat het de bedoeling is van JA21 dat de samenleving op zo'n manier geconfronteerd wordt met weifelende politici.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ik hoor het aan. Ik hoor geen vraag. Ik hou verre van mij dat we weifelende politici zijn. Dat is een opmerking of een kwalificatie die ik niet passend vind. Daar komt bij dat er veel wetgeving is waarvan gezegd wordt dat er het eerste jaar of de eerste twee jaar niet heel erg gehandhaafd wordt of er geen dwang is. Wat hier nu geschetst wordt, is ook politieke onwil. Wij hebben wel de politieke wil om iets te doen aan de onrust die er is in Nederland ten aanzien van het dwangelement in de Spreidingswet.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik kom nog even terug op het debatje met mevrouw Veldhoen en de suggestie dat rechters de ruimte zouden hebben of nemen om politiek te bedrijven in plaats van recht toe te passen. Is het zo dat het proportionaliteitsbeginsel een rechtsbeginsel is? Dat zou mijn vraag zijn.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Sorry. Nog één keer.

De heer Nicolaï (PvdD):

Het proportionaliteitsbeginsel. Is dat een rechtsbeginsel? We zijn allebei advocaat, dus ik kan u dat vragen.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Dat is zo, ja.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dat is zo. Dus als een rechter het proportionaliteitsbeginsel daaraan toetst, dan is hij aan het toetsen aan het recht. Ik kan u zeggen uit ervaring als hoogleraar bestuursrecht en advocaat: er is juist een hele erge rem wanneer het gaat om die evenredigheid, proportionaliteit. Dan zegt de bestuursrechter nou juist altijd: ik toets dat marginaal. Hij gaat niet op de stoel van het bestuur zitten om te zeggen: wat vind ik een redelijke afweging? Klopt dat?

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ja, uw analyse klopt, maar we moeten ook niet vergeten dat er in het bestuursrecht ook heel veel is misgegaan, omdat de hardheidsclausule ontbrak als je het hebt over wat er met de toeslagenaffaire is gebeurd. Ook daarin kunnen zich nog altijd uitwassen voordoen.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dat is een uitwas die naar voren wordt gebracht die te wijten is aan het ontbreken in wetgeving van een hardheidsclausule, maar de kwestie die aan de orde was, is of de rechter bij wijze van spreken zelf op de stoel van het bestuur gaat zitten. Daar kan mevrouw Van Bijsterveld geen voorbeelden van noemen, maar ik kan u zeggen: die zíjn er ook niet. Sterker nog, er is in het bestuursrecht zelfs ook een groep mensen die zeggen: de rechter heeft te weinig ruimte. Dat is wat ik tot slot nog naar voren wilde brengen.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ik wil graag toch nog even reageren. Waar het om gaat, is dat ik er niet van uitga, nogmaals, dat de rechter op de stoel van het bestuur gaat zitten, maar ik vind wel dat we hier met elkaar een open discussie over moeten kunnen voeren. Ik vind het ook goed, en dat heb ik ook in mijn bijdrage opgenomen, dat in het rapport De gebroken belofte van de rechtsstaat heel nadrukkelijk een aanbeveling staat dat het goed is dat er tussen de rechtsprekende, uitvoerende en wetgevende macht veel meer overleg moet komen over: hoe zien we dit, hoe we ervaren we dit? Dat is ook mijn vraag aan de minister. Is die aanbeveling inmiddels al tot uitvoering gebracht en hoe vaak vindt dit overleg plaats? Ik vind het namelijk juist zo interessant om die discussie dáár met elkaar te voeren. Ik ben hier helemaal niet om de grote criticaster te zijn van de rechterlijke macht. Nogmaals, we hebben niet voor niks de trias politica in Nederland. Ik vind het wel moeizaam worden als we daar niet eens een open discussie met elkaar over kunnen voeren. Dan vind ik ook dat de rechterlijke macht bekritiseerd mag worden.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Van Bijsterveld (JA21):

Ik ga even kijken, voorzitter, want ik heb een aantal dingen al gezegd in de interrupties, dus die sla ik over. Dan ga ik maar naar mijn slotvraag aan de minister. Althans, ik wil er het volgende nog aan toevoegen. Alle debatten in de luchtige hoogte over de rechtsstaat worden enigszins futiel als grote groepen zogenaamde demonstranten op straat de dienst gaan uitmaken. Bij blokkades van Extinction Rebellion en ordeverstoringen door pro-Palestijnse demonstraties moet de overheid duidelijk maken welke grenzen er gelden en wat er gebeurt wanneer die herhaaldelijk worden overschreden. Dat moet ook gelden voor boerenprotesten. Het is van tweeën één. Laat daar geen misverstand over bestaan.

Voorzitter. Mijn fractie heeft tot slot drie vragen aan de minister. Wil de regering bij belangrijke hervormingen eerder inhoudelijke afspraken met het parlement maken en inzichtelijk maken hoe draagvlak, uitvoerbaarheid en bestendigheid zijn onderzocht? Wil zij bij nieuwe wetgeving uitdrukkelijk verantwoorden welke politieke afwegingen zij zelf vastlegt en welke beoordelingsruimte zij via open normen aan het bestuur en de rechter wil laten? Wil zij inzicht geven in de afdoening van herhaalde demonstratiegerelateerde overtredingen en misdrijven, inclusief de sepots, vervolging en opgelegde sancties, en aangeven hoe politieagenten daarbij bestuurlijke rugdekking krijgen? Dit zijn de echte vragen die we nu moeten stellen over de rechtsstaat en de verdediging daarvan. Het gebruikelijke discours is niet veel meer dan een sloganisme.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan schors ik de beraadslaging tot na de lunchpauze. We hervatten om 13.30.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 12.39 uur tot 13.32 uur geschorst.